Auteur: Anke Ottema Doris Dekker Jette Schneider Lejla Bitanga Lisanne Brandsma
Eerste publicatie: 01/01/2004
Taal: Nederlands
Origineel gepubliceerd in: Danswetenschap in Nederland - Deel 4
Beschikbaar gemaakt door: Vereniging voor Dansonderzoek
Thema's: Political & Social Issues
Media: article

Dit artikel is eerder verschenen in: Linden, M. van der, L. Wildschut, J. Zeijlemaker (eds.) (2006), Danswetenschap in Nederland – Deel 4. Vereniging voor Dansonderzoek, pp.113-118.

De Professional School of the Arts Utrecht (PSAU), een samenwerkingsverband tussen de Universiteit Utrecht (UU) en de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU), is een éénjarige masteropleiding waarbij studenten met diverse achtergronden in groepsverband werken aan projecten op het gebied van onder andere muziek, theater en digitale media. Aan deze projecten gaan opdrachten vooraf, welke worden aangedragen door opdrachtgevers uit de praktijk. De Programmaraad Dans, waarin diverse vertegenwoordigers uit de Nederlandse danswereld zitting hebben, is de opdrachtgever geweest van het onderzoek Traditie & Vernieuwing. Een onderzoek naar de positie van niet-westerse dans in Nederland (2006).

De opdracht lag in het verlengde van het onderzoek Kiezen of Delen. De toepasbaarheid van inhoudelijke subsidiecriteria op niet-westerse dans van Laurien Saraber uit 2001. Uit dat onderzoek is gebleken dat de kwaliteitscriteria die subsidiënten hanteren moeilijk zijn toe te passen op de niet-westerse dans. Hierdoor gebeurt het maar al te vaak dat dansmakers een toewijzing van subsidiegelden mislopen. Het PSAU-onderzoek Traditie en Vernieuwing gaat verder in op deze problematiek door te onderzoeken hoe de niet-westerse dans aansluiting vindt bij dansvakopleidingen en speelplaatsen.

De veronderstelling die als uitgangspunt voor het onderzoek diende, luidt als volgt: de professionalisering van niet-westerse dansvormen in Nederland wordt bemoeilijkt door opvattingen over traditie en vernieuwing die terugkomen in de kwaliteitscriteria die door het veld worden gehanteerd. De centrale vraag binnen het PSAU onderzoek was: ‘Wat zijn de visies van de speelplaatsen, de dansvakopleidingen en de dansmakers op de professionalisering van niet-westerse dans?’ De begrippen niet-westers, traditie & vernieuwing en professioneel & amateur stonden daarbij centraal. Om de discussie rond de professionalisering van niet-westerse dans te kunnen beschrijven was het noodzakelijk te onderzoeken hoe deze onderling gerelateerde begrippen worden gehanteerd.

Het onderzoek bevat een theoretisch deel met daarin een uitleg van de kernbegrippen en een beknopt overzicht van het dansbeleid in Nederland. Het belangrijkste onderdeel van het onderzoek vormen de interviews met de programmeurs van theaters, de artistieke vertegenwoordigers van de HBO-dansopleidingen en met de dansmakers zelf.

De selectie van dansmakers en programmeurs van theaters is beperkt tot de steden Amsterdam en Rotterdam, omdat het onderzoek anders te omvangrijk zou worden. De onderzoeksresultaten zijn daarom niet representatief voor heel Nederland, maar zijn bedoeld om een indruk te geven van de huidige onderlinge verhoudingen en dienen als aanzet voor discussie en vervolgonderzoek.

Het begrip ‘niet-westers’
Zowel vanuit de literatuur als vanuit de praktijk is gebleken dat er geen eenduidig onderscheid te maken is tussen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Het begrip ’niet-westers’ kan vanuit verschillende invalshoeken worden benaderd, zodat aan de term verschillende betekenissen kunnen worden gegeven. Op basis van geografische ligging is er een andere indeling te maken dan bijvoorbeeld aan de hand van economische kenmerken of vanuit cultureel perspectief. Met betrekking tot de dans wordt de term veelal gebruikt als verzamelnaam. Er zijn diverse synoniemen in gebruik, zoals bijvoorbeeld ‘werelddans’. Maar geen van de termen heeft een eenduidige betekenis. Vanwege de onbeperktheid aan mogelijke cultuuroverschrijdende inspiratiebronnen voor kunstenaars, kunnen grenzen over het algemeen moeilijk worden aangewezen.

Door een gebrek aan kennis van de oorsprong en de kenmerken van dansvormen is in Nederland bij de verschillende subsidiërende en ondersteunende instellingen, alsmede bij de speelplaatsen, een categorisering niet te rechtvaardigen. Een verzamelnaam zoals ‘niet-westers’ of ‘modern’ zegt weinig wanneer blijkt dat dansmakers, in dit geval makers die zich bezighouden met ‘niet-westerse’ dans, het gebruik van zo’n verzamelnaam onwenselijk en ontoereikend vinden; op deze manier krijgt men het gevoel op één hoop gegooid te worden. De voorkeur gaat uit naar het benoemen van de specifieke dansstijl, of anders aan te geven door welke stijl de dans is beïnvloed.

Door het gebrek aan kennis van de dansvormen wordt niet direct herkend wat de ontwikkeling en de vernieuwing binnen de ‘niet bekende’ dansstijlen zijn, waardoor de waardering van deze dansvormen vaak is beperkt tot stereotypering en associaties met traditie. Voor verschillende partijen binnen het dansveld hebben de termen ‘traditie’ en ‘vernieuwing’ een andere betekenis.

De begrippen ‘traditie’ en ‘vernieuwing’
Het begrip ‘vernieuwing’ is als beoordelingscriterium van groot belang in Nederland, maar zoals gezegd wordt niet-westerse dans over het algemeen in verband gebracht met ‘traditie’. Om vernieuwend te zijn en een dansvorm als zodanig te beoordelen, is er kennis van traditie nodig. Door het aanstellen van leden voor beoordelingscommissies van subsidiërende instellingen met expliciete kennis over niet-westerse dansvormen, kan een gedegen beoordeling plaatsvinden.

Naast de geringe kennis over, en dus het begrip van, andere culturen en hun dansvormen kan er in de beoordeling hiervan en de waardering hiervoor ook een aantal minder bewuste overwegingen een rol spelen. Persoonlijke voorkeuren, cultuurafhankelijke smaak, mode en trends in dansvormen en choreografie kunnen de beoordeling beïnvloeden. De interpretatie van het begrip vernieuwing is dus deels een subjectieve aangelegenheid en deels gebaseerd op wat er in Nederland (h)erkend wordt als vernieuwing.

Kennis van niet-westerse culturen is echter geen absolute voorwaarde voor het kunnen waarderen van het werk van makers van niet-westerse dans. Door de kennis te vergroten is men in staat de dansvormen beter te begrijpen, hetgeen de waardering positief kan beïnvloeden. Deze kennis kan worden vergroot door de informatie, die de dansmakers door middel van hun doelstellingen en werk vaker en beter zouden kunnen overdragen. Wederzijdse communicatie en wederzijds vertrouwen vormen hiervoor de basis.

Het over (kunnen) dragen van kennis naar andere partijen in het dansveld door de dansmakers, is een onderdeel van een zogenaamde ‘professionele’ houding. Professionalisering is het onderwerp van dit onderzoek en van groot belang voor de positie van niet-westerse dans in Nederland.

De toekomst: professionalisering van niet-westerse dans
Uit de interviews is gebleken dat de gebruikelijke criteria om professionaliteit te beoordelen -zoals het bezitten van een diploma, het verdienen van geld en de zichtbaarheid van de danser of dansmaker in het veld – in deze tijd geen toereikende maatstaven/criteria meer zijn. Deze situatie is ontstaan door ontwikkelingen in het dansveld, waarin mensen zonder een diploma van een erkende dansvakopleiding bijzondere prestaties leveren; waarin professionele dansers door de drukte in het veld geen werk vinden en hun geld met andere werkzaamheden verdienen, of een uitkering ontvangen; en waarin professionele voorstellingen van bijvoorbeeld niet-westerse dansvormen gepresenteerd worden op andere speelplaatsen dan de erkende theaters.

Om de mate van professionaliteit binnen een specifieke dansvorm goed te kunnen beoordelen, is kennis van de kenmerken en kwaliteiten van een stijl, alsmede herkenning van traditie en vernieuwende invloeden een voorwaarde voor inhoudelijk inzicht in deze stijl. De beoordeling van de professionaliteit van niet-westerse dansvormen zou in eerste instantie op contextafhankelijke gronden moeten gebeuren, maar tegelijkertijd vanuit de veronderstelling dat er een universele overeenstemming over professionaliteit in artistieke zin bestaat.

Er is vanuit de dansers en de makers van niet-westerse dansvormen behoefte om het professionaliseringsproces te verbeteren. De mogelijkheden om zich te professionaliseren lijken op dit moment gebrekkig en continuïteit is niet gewaarborgd. De leertrajecten van deze dansers en dansmakers lopen achter ten opzichte van die van de Nederlandse dansvakopleidingen, mede doordat een actieve samenwerking tussen gevestigde en de startende opleidingen en faciliterende instellingen om deze leertrajecten te kunnen verbeteren, ontbreekt. Het is de vraag of de dansvakopleiding de juiste plek is om dansers en makers van niet-westerse dansvormen op te leiden. Dat wil niet zeggen dat niet-westerse dansstijlen niet kunnen worden opgenomen in hun programma en een toegevoegde waarde kunnen hebben voor de opleidingen. Ook is het de vraag of dansstijlen met oorspronkelijk een andere leeroverdracht geïnstitutionaliseerd zouden moeten worden. En hoe dat dan zou moeten worden vormgegeven. Er zijn veel specifieke niet-westerse dansvormen; hoe komen deze tot hun recht?

Omdat de dansvakopleidingen zich richten op de aansluiting met het werkveld in Nederland, en de niet-westerse dans op ‘professioneel niveau’ (nog) weinig is vertegenwoordigd in theaters, is het voor deze opleidingen efficiënter om zich te richten op ‘westerse dans’. Met het oog op de huidige ontwikkelingen in het beleid, waarin meer nadruk gelegd wordt op het netwerken en samenwerken van bestaande instituten kan de weg naar een dansvakopleiding wellicht gemakkelijker gevonden worden door (allochtone) dansers en makers die zich willen bezighouden met niet-westerse dansvormen of dansvormen met een niet-westerse invloed. Ook de dansvakopleidingen kunnen een actieve link binnen dit netwerk zijn door hun expertise over te dragen.

Opleidingen die zich wel richten op niet-westerse dansvormen, zoals de Kaderopleiding Internationale dans/Werelddans in Rotterdam[1], een tweejarige parttime opleiding tot dansléider en dansléraar in traditionele of hedendaagse cultuurgebonden dansvormen, bieden uitkomst voor leerlingen die zich specifiek willen toeleggen op een bepaalde niet-westerse dansvorm. De vraag is echter of er in Nederland voldoende expertise aanwezig is om deze mensen vakkundig op te kunnen leiden. Subsidies en beurzen voor individuele initiatieven om deze vakkundigheid in het buitenland te halen zouden hiervoor een oplossing kunnen bieden.

Door middel van een aantal recent opgerichte MBO dansvakopleidingen is er een ‘professionaliseringstraject’ mogelijk voor (allochtone) dansers en makers die zich willen bezighouden met niet-westerse dans, waarbij doorstroming naar een HBO dansvakopleiding mogelijk zou moeten zijn. Ook hier zou samenwerking tussen de instituten een begin kunnen zijn voor de HBO dansvakopleidingen, zodat ze een bijdrage kunnen leveren aan de vernieuwing van het systeem waarin ze zeggen vast te zitten.

Verworvenheden en initiatieven worden niet doorgegeven aan nieuwe generaties, waardoor het blijft bij incidentele en meestal individuele successen. Samenwerking tussen de dansmakers onderling, alsmede tussen hen en de dansvakopleidingen en ondersteunende instellingen zou kunnen zorgen voor continuïteit. Deze samenwerking gebeurt slechts incidenteel; het vraagt een omslag in het denken door alle betrokken partijen.

Naast de inhoudelijke aspecten, zijn ook de zakelijke vaardigheden van de dansmakers een onderdeel van (de beoordeling van de mate van) professionaliteit binnen het Nederlandse dansveld. De meeste dansmakers zijn zich hier niet van bewust. Het besef, dat het bij het ontwikkelen van de eigen vaardigheden als dansmaker niet alleen om de artistieke groei gaat, maar ook om de zakelijke aspecten, is bij vele makers nog onvoldoende te vinden. Deze zakelijke vaardigheden zijn voor het ageren in het Nederlandse kunst- en cultuursysteem noodzakelijk.

Wanneer een dansmaker zich wil profileren in het Nederlandse dansveld, zal een productie moeten kunnen groeien door deze meerdere malen op te voeren en dient er rekening gehouden te worden met de algemeen gangbare theatercontext, waarbij naast de danstechniek ook bijvoorbeeld de kostuums en het decor met zorg dienen te worden uitgevoerd. Om deze aspecten mee te nemen in de voorstelling, dient de dansmaker te beschikken over de vaardigheid een gedegen beroep te kunnen doen op de subsidiërende en ondersteunende instellingen in de vorm van een aanvraag die voldoet aan alle criteria (zoals een planning, begroting, heldere omschrijving en legitimatie). De ambitie om verder te groeien en te ontwikkelen is zeker aanwezig bij de makers van niet-westerse dans, maar de manier waarop, met de daarbij behorende mogelijkheden, zijn voor hen niet duidelijk zichtbaar of onbekend.

Er zijn, buiten de speelplaatsen die specifiek zijn gericht op niet-westerse muziek en dans, relatief weinig voorstellingen te zien die én gebaseerd zijn op niet-westerse dansvormen én in Nederland zijn gemaakt. Dit heeft wederom te maken met bovenstaande associaties met traditie en met de samenstelling van het publiek voor kunst en met name voor de dans. Het aandeel van niet-westerse dans binnen het gehele dansaanbod kan met name worden gezocht in buitenlandse producties die naar Nederlandse festivals worden gehaald. Dit zijn vaak grootschalige producties die over het algemeen de associaties met traditie bevestigen. Wanneer deze incidentele kennismaking met niet-westerse dansvormen leidt tot interesse in de aanwezigheid ervan in Néderland, kan dit een begin zijn van continuïteit.

Een probleem ligt hier bij de zichtbaarheid van de niet-westerse dans in Nederland. De dansmakers hebben wel de behoefte om op te treden in theaters, maar worden hierin belemmerd door een tweetal oorzaken: enerzijds hun bescheiden opstelling; zij begeven zich voornamelijk in hun eigen netwerk en laten zich daarbuiten nauwelijks gelden, waardoor de programmeurs van theaters hun aanwezigheid niet opmerken. Het ontbreekt de programmeurs aan tijd om de ‘onzichtbare’ niet-westerse dans op te sporen en aan kennis om deze op waarde te kunnen schatten. Anderzijds is de ‘traditionele’ theatersetting, waarbij het publiek zwijgend van een afstand toekijkt, niet altijd geschikt is voor de vaak interactief georiënteerde niet-westerse dansvormen.

De verschillende theaters in Nederland hebben ieder hun eigen functie binnen een gemeente of stad, waar het aanbod mee samenhangt. Een consequentie hiervan kan zijn dat de ‘setting’ waarin bepaalde dansvormen het best tot hun recht komen, niet past bij de missie van het theater. Het zoeken naar andere speelplaatsen dan de gebruikelijke door makers van niet-westerse dansstijlen, alsmede een nieuwe, meer interactieve generatie toeschouwers, zouden positieve ontwikkelingen kunnen zijn voor niet-westerse dansvormen. Naast verjonging van het publiek zal ook de verandering van de samenstelling van de Nederlandse samenleving zorgen voor een divers publiek. In verband daarmee veranderen de functies van theaters en hun programmering, waarbij er meer een ‘intermediaire rol’ tussen kunst en samenleving is weggelegd voor het theater en er in hogere mate afwisseling plaatsvindt tussen ‘publiekstrekkers’ en meer ‘experimentele’ voorstellingen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het per theater verschilt in welke mate dit gebeurt, afhankelijk van de eerder genoemde functie binnen een gemeente of stad.

Naar aanleiding van bovenstaande suggesties voor verschillende manieren van samenwerken, komen wij tot de conclusie dat een platform/netwerk waar alle partijen elkaar kunnen ontmoeten en (artistieke en zakelijke) expertise kunnen uitwisselen, wenselijk is.

Samenwerking tussen zowel de in niet-westerse kunst gespecialiseerde instellingen als de westers georiënteerde instellingen, die tevens in de meeste gevallen als speelplaatsen fungeren, theaters, dansvakopleidingen en makers kan zorgen voor een netwerk, waardoor informatie voor alle partijen binnen handbereik is en de kennis van de traditie en vernieuwing binnen de dansvormen wordt vergroot.

Een onderzoek naar de vormgeving van bovenstaande suggestie voor een platform/netwerk, waarbij de toegevoegde waarde voor de verschillende partijen kan worden geformuleerd, kan zorgen voor het omzetten van woorden in daden, waardoor werkelijk stappen worden gezet ter verbetering van de positie van niet-westerse dans in Nederland.

[1] De opleiding is voor gevorderde amateurdansers die les willen geven of al lesgeven in hun specialisatie in traditionele of hedendaagse cultuurgebonden dansvormen. Hieronder worden verstaan: al die dansvormen die cultuurgebonden zijn en gebaseerd zijn op traditionele dansstijlen, of die ontstaan zijn vanuit een duidelijke hedendaagse culturele context. Denk aan Oost-Europese dansen, flamenco, Indiaas, Afrikaans, oriëntaals, Nederlands, Turks, Mexicaans, maar ook aan streetdance, capoeira en breakdance. Dit is een samenwerkingsverband van het LCA, de SKVR en het World Music and Dance Centre.

 

Bronnen

  • Bleeker, M., et al. (2005). Multicultureel drama? Theater Topics. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • Buikema, R., Meijer, M. & Smelik, A. Postmoderne cultuur en representatie. In M. Brouns, M. Verloo & M. Grunell (Red.) (1995). Vrouwenstudies in de jaren negentig. Een kennismaking vanuit verschillende disciplines. (pp. 79-106). Bussum: Coutinho.
  • Carter, A. (1998). The Routledge Dance Studies reader (pp. 51 en 52). London: Routledge.
  • Goldman, R. & Papson, S. (1996). Authenticity in the age of the poseur. In Sign wars. The cluttered landscape of advertising. (pp. 141-186). New
  • York: The Guildford Press.
  • Grau, A. & Jordan, S. (2000). Europe dancing. London: Routledge.
  • Harris, M. (1997). Culture, people, nature. An introduction to general anthropology. New York: Longman.
  • Lavrijsen, R. (1993). Cultural diversity in the arts: Art, art policies and the facelift of Europe. Amsterdam: Royal Tropical Institute.
  • Lury, C. (1996). Changing races, changing places. In Consumer culture. (pp. 156-191). Cambridge: Polity Press.
  • Morris, G. (1996). Moving Words. Rewriting Dance. London: Routledge.
  • Pattynama, P. (1995). Etnocentrisme en waarheid. In M. Brouns, M. Verloo & M. Grunell (Red.) (1995). Vrouwenstudies in de jaren negentig. Een kennismaking vanuit verschillende disciplines. (pp. 211-232). Bussum: Coutinho.
  • Said, E. (1978). Orientalism. London: Penguin Books.
  • Saraber, L. (2001). Kiezen of delen. De toepasbaarheid van inhoudelijke subsidiecriteria op niet-westerse dans. Doctoraalscriptie Culturele Studies, Universiteit van Amsterdam.
  • Saraber, L. (2000). Tussen rasa en redoble: werelddans in de Nederlandse kunsteducatie. Utrecht: LOKV Nederlands Instituut voor kunsteducatie.
  • Shohat, E. & Stam, R. (2001). Unthinking eurocentrism. London: Routledge.
  • Sibley, D. (1995). Geographies of exclusion: society and difference in the West. London: Routledge.
  • Tolson, A. (1996). Discourse. In Mediations. Text and discourse in media studies. (pp. 185-217). New York: St. Martin’s Press Inc.
  • Vuyk, K. (1992). De esthetisering van het wereldbeeld. Kampen: Kok Agora.
  • Williams, D. (1991). Ten lectures on the theories of the dance. Londen: The scarecrow Press.
  • Zoonen, L. van. (1999). Media, cultuur & burgerschap. Amsterdam: Het Spinhuis.
> Deel op Facebook > Deel op Twitter > Deel via e-mail