Auteur: Dr. Jacques H.A. van Rossum
Eerste publicatie: 01/01/2010
Taal: Nederlands
Origineel gepubliceerd in: Danswetenschap in Nederland - Deel 6
Beschikbaar gemaakt door: Bloemlezing Vereniging voor Dansonderzoek (VDO)
Thema's: Injury Prevention
Media: article

Dit artikel is eerder verschenen in: Naber, R., B. Nieuwboer, L. Wildschut (eds.) (2010), Danswetenschap in Nederland – Deel 6. Vereniging voor Dansonderzoek, pp.65-74

Het is al sinds vele jaren bekend uit onderzoek: de danser is vaak moe, heeft relatief veel blessures en wijt die zelf aan vermoeidheid, overtraining of beide. Veel verandering lijkt daarin niet aanwezig. De resultaten van een grootscheepse inventarisatie onder Engelse dansers in 1993 (Brinson & Dick, 1996) en die van een herhaalde inventarisatie in 2002 (Laws, 2005) bleken nauwelijks te verschillen. In onderzoek bij Nederlandse dansers in opleiding (Van Rossum, 2000, 2001) en bij professionele dansers (Van Rossum & Schaerli, 2006) bleek de Nederlandse situatie niet rooskleuriger dan die in Engeland.

In dit artikel staat overbelasting centraal. Een hulpmiddel wordt geïntroduceerd dat in de sport veel wordt gebruikt om overtraining te voorkomen: de Profile of Mood States (POMS). Dit is een psychologische vragenlijst, aan hand waarvan dreigende overbelasting kan worden gesignaleerd.

In de afgelopen jaren is in Nederland bij hbo-dansstudenten en bij professionele dansers de POMS in een aantal onderzoeken toegepast. In dit artikel worden de resultaten van die groepen vergeleken met die van andere groepen studenten en sporters. Daarbij gaat het vooral om het beantwoorden van drie hoofdvragen. Allereerst: hebben dansers een POMS-patroon dat vergelijkbaar is met dat van anderen? Die vraag leidt tot twee subvragen: zijn dansers, als individuen die veel met beweging van doen hebben, anders dan andere ‘bewegers’? De tweede subvraag is: zijn hbo-dansstudenten anders dan andere hbo-studenten?

In de tweede hoofdvraag gaat het om verschillen tussen mannen en vrouwen: zijn die er bij ‘bewegers’ in het algemeen en zijn die er bij dansers? In het verlengde daarvan: hoe verhouden de POMS-scores van de vrouwelijke dansstudenten zich tot die van vrouwelijke topsporters, in dit geval voetbalsters van de Nederlandse eredivisie?

De derde hoofdvraag tenslotte luidt: wat is de relatie tussen de POMS en (over)belasting bij dansstudenten? Voorafgaand aan de beantwoording van elk van deze drie vragen, licht ik het verschijnsel overbelasting en de POMS als instrument toe.

Overbelasting
In de sportwereld is veel onderzoek gedaan naar overbelasting of overtraining. Door de American Medical Association wordt overtraining omschreven als een toestand van ‘minder zin hebben in sporten’. Die toestand kan zijn oorsprong vinden in fysiologische of psychologische processen. Prestatievermindering als gevolg van overbelasting (‘staleness’) is kenmerkend:

The principal behavioral sign of staleness is impaired athletic performance. The truly stale athlete has a significant reduction in performance (e.g., 5% or greater) for an extended period (e.g., 2 weeks or greater) that occurs during or following a period of overtraining and fails to improve in response to short-term reductions in training. (O’Connor, 1997, p.148)

Bij overtraining gaat het dus om een langduriger periode van prestatievermindering die niet door een korte rustperiode teniet kan worden gedaan – het lijkt dus een vervelend gevolg van chronische overbelasting. Overbelasting in de vorm van een piekbelasting is dan ook veel beter herkenbaar dan overbelasting als gevolg van een langdurige periode waarin steeds net een beetje te veel van iemand wordt gevraagd. Juist mensen met een goed arbeidsethos laten zich in zo’n situatie niet kennen en houden vol, vaak ook tegen beter weten in.

In wetenschappelijk onderzoek naar predictoren of ‘markers’ voor overbelasting zijn uit de fysiologische, immunologische, biochemische en psychologische hoek geen eenduidige resultaten gekomen (Van Lingen, 2000). Tegelijk moet ook worden vastgesteld dat verandering in de gemoedstoestand of stemming een belangrijke informatiebron is: ‘The single most consistently replicated finding in the overtraining and staleness literature is that increases in training load are associated with shifts toward negative mood states while reductions in training load are associated with improvements in mood.’ (O’Connor, 1997, p.153). Dus: een vergroting van de belasting leidt tot sterkere negatieve stemming (bijvoorbeeld: geïrriteerdheid, gespannenheid) die weer verdwijnt als de belasting wordt verminderd.

Een laatste punt dat van zwaarwegend belang is voor inzicht in overtraining, is dat overtraining méér is dan de reactie op de (fysieke) trainingsbelasting. Collard (2005, p.54) stelt in een literatuuroverzicht vast:

De stelling dat overtraining alleen wordt veroorzaakt door de trainingsbelasting is een te beperkt gezichtspunt. Zelden worden psychosociale stressoren (“alledaagse problemen”) van binnen en buiten de training betrokken in onderzoek naar overtraining. In de afgelopen jaren wordt overtraining steeds meer gezien als een verstoring van de belasting en belastbaarheid, waarbij de belasting wordt gezien als de som van eisen die aan een sportman of -vrouw worden gesteld, niet alleen op fysiek, maar ook op mentaal en sociaal gebied.

Overbelasting is dus eigenlijk het best op te vatten als een verstoring van de balans in de verschillende elementen van het dagelijks leven. Soms wordt die balans verstoord door een te zware wissel op de fysieke belastbaarheid – net dat ene extra optreden met die ene, altijd weer het uiterste van je vergende sprong, met een blessure als gevolg. Soms ook zijn het zaken ‘van buiten’ (ziekte van een geliefde, problemen in een belangrijke relatie; de zogenoemde ‘alledaagse problemen’) die de persoon uit balans brengen. Hiermee is het kernthema bij overbelasting geraakt: in veel gevallen is de persoonlijke beleving of ervaring van gebeurtenissen doorslaggevend. Wat voor de een gemakkelijk plaatsbaar of verwerkbaar is, blijkt een ander uit balans te brengen. Het is daarom belangrijk om ‘de vinger aan de pols te houden’. Het ligt voor de hand te verwachten dat een instrument, waarmee de sporter zijn eigen stemming kan beschrijven, een zinvol hulpmiddel kan zijn om dreigende overbelasting te ontdekken. De Profile of Mood States (POMS) wordt in de wetenschappelijke literatuur over overbelasting als het psychologische instrument bij uitstek gezien. Met de POMS kan de sporter of danser zichzelf of diens begeleider (trainer-coach of dansdocent) waarschuwen voor een mogelijke disbalans.

Profile of Mood States (POMS)
De oorspronkelijke POMS (McNair, Lorr & Droppleman, 1971) omvat 65 woorden waarmee zes schalen worden bepaald: ‘depression’ (depressie), ‘anger’ (boosheid), ‘tension’ (spanning), ‘vigor’ (kracht), ‘fatigue’ (vermoeidheid) en ‘confusion’ (verwarring). Bij elk woord dient de respondent aan te geven op een 5-puntsschaal (oplopend van 0 tot 4, waarbij 0 staat voor ‘helemaal niet’ en 4 voor ‘heel erg) hoe goed het woord zijn/haar stemming beschrijft in de afgelopen week. De oorspronkelijke POMS was bedoeld om stemmingsaspecten en veranderingen in stemming bij psychiatrische patiënten vast te kunnen stellen. De POMS is dan ook veel gebruikt als effectmaat, om bijvoorbeeld het gebruik van medicamenten vast te stellen. Vanuit het pionierswerk van de Amerikaanse sportwetenschapper William Morgan (1985) is de POMS de laatste decennia het meest gebruikte instrument binnen de sportpsychologie geworden.

De belangrijkste bijdrage van Morgan aan het sportpsychologische gedachtegoed is zonder twijfel het zogenoemde ijsbergprofiel (‘iceberg profile’). Succesvolle sporters (bijvoorbeeld degenen die geselecteerd zijn voor deelname aan de Olympische Spelen) bleken een typisch profiel op de POMS te vertonen: de score op de schaal ‘vigor’ is hoog, terwijl die op de overige vijf schalen relatief laag is. Bij sporters die in een toestand van ‘overtraining’ zijn geraakt, werd op de ‘vigor’-schaal een lage score gevonden en op de overige vijf schalen een veel hogere score, waarbij met name de score op de schaal ‘fatigue’ opvalt. In onderstaande figuur is zowel het klassieke ijsbergprofiel als het profiel van de overtrainde sporter weergegeven.

Figuur 1

POMS-profiel van een gewone sporter en van een overtrainde sporter (figuur uit Cockerill, 1996, p.329)

Nederland: Verkorte POMS
In Nederland is in 1990 een verkorte vorm van de POMS geconstrueerd die 32 woorden omvat. Op een gegevensbestand van een huisartsenpraktijk zijn analyses uitgevoerd naar de betrouwbaarheid en validiteit van de schalen van de POMS. Wald en Mellenbergh (1990) rapporteren dat op grond van deze heranalyse van de gegevens van 972 huisartspatiënten (481 mannen, 491 vrouwen) vijf schalen betrouwbaar blijken te zijn: depressie, boosheid, vermoeidheid, kracht en spanning. Na jaren van onderzoek waarin de betrouwbaarheid en validiteit van de Nederlandse korte versie van de POMS werden vastgesteld, is in 2007 van de Verkorte POMS een handleiding verschenen (Van der Ark, Marburger, Mellenbergh, Vorst & Wald, 2007). Daarin is een korte sectie over onderzoek bij sporters opgenomen; een uitgebreide weergave van het sportonderzoek is te vinden in een tweetal artikelen (Van Rossum, 2008a; 2008b).

De Verkorte POMS en dans
Met de Verkorte POMS heb ik sinds 2004 onderzoek gedaan binnen een verscheidenheid aan bewegingscontexten. Daarbij is ook een tweetal groepen hbo-dansers. De eerste groep bestaat uit hbo-dansstudenten van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (AHK), in totaal 73 studenten (17 mannen, 56 vrouwen), in leeftijd variërend van 16 tot 26 jaar (gemiddelde leeftijd: 19,5 jaar). De tweede groep hbo-dansstudenten is samengesteld uit studenten van de AHK en van de dansopleiding ArtEZ (Arnhem), in totaal 49 (5 mannen, 44 vrouwen; gemiddelde leeftijd: 20,5 jaar, variërend van 18 tot 25). Deze twee studentengroepen hebben de POMS op één moment ingevuld in de context van een vragenlijst waarin ook andere zaken aan de orde kwamen. In beide gevallen bleek uit de waarde van de coëfficiënt Cronbach’s alpha dat de schalen een betrouwbare score opleveren (waarden van 0,84 en hoger, met uitzondering van ‘spanning’: 0,72).

De POMS maakte ook deel uit van het digitale danslogboek dat in een twee jaar durend onderzoeksproject (lopend van najaar 2007 tot najaar 2009) beproefd is bij 114 hbo-dansstudenten en 27 professionele dansers. In dit zogenoemde ‘Healthy Dancer Diary’ (HDD) is een Engelstalige versie van de Verkorte POMS opgenomen. In dit artikel zijn de POMS-gegevens van 54 dansers gebruikt, die de vragenlijst in totaal 1260 keer invulden. Deze groep bestaat uit 37 hbo-dansstudenten (5 mannen, 32 vrouwen) van drie dansopleidingen (Amsterdam, Arnhem, Rotterdam) en 17 professionals (6 mannen, 11 vrouwen) van twee grote gezelschappen en de Henny Jurriëns Stichting. De betrouwbaarheid van de POMS-scores was vergelijkbaar met die bij de beide eerder genoemde dansgroepen (waarden van 0,85 en hoger, met uitzondering van ‘spanning’: 0,77).

Is de POMS bij dansers anders?
Voor het beantwoorden van deze vraag zijn de POMS-gegevens van de eerste groep (hbo-dansstudenten) gebruikt. Dansstudenten bleken een duidelijk ijsbergprofiel te vertonen, met een hogere score op ‘kracht’ en lagere gemiddelde scores op de vier negatieve stemmingen boosheid, spanning, vermoeidheid en depressie. Het profiel van deze dansstudenten wijkt niet af van het POMS-profiel van drie andere groepen: studenten Bewegingswetenschappen, sportieve Nederlanders en een groep hardlopers (Van Rossum, 2008a).

In een tweede analyse is het POMS-profiel van deze eerste groep hbo-dansstudenten afgezet tegen dat van twee groepen hbo-studenten: een groep studenten aan de Academie Lichamelijke Opvoeding (ALO) en een groep studenten Diëtetiek (zie figuur 2).

Figuur 2
POMS-profielen van drie groepen van hbo-studenten: dans (n=73), Academie Lichamelijke Opvoeding (ALO; n=126), en diëtetiek (n=81).

De POMS-profielen komen sterk overeen tussen de drie groepen hbo-studenten, met uitzondering van de gemiddelde score op ‘spanning’. Uit de statistische toets bleek dat de studenten lichamelijke opvoeding op de schaal ‘spanning’ een significant lagere gemiddelde score hebben dan de dansstudenten, terwijl de studenten diëtetiek weer een significant hogere score hebben dan de dansstudenten. Het is niet duidelijk waar dit opvallende verschil uit voortkomt.

Het antwoord op de gestelde vraag is dus dat in het algemeen dansstudenten een POMS-profiel hebben dat overeenkomt die van andere ‘bewegers’. In vergelijking met andere hbo-studenten is een, vooralsnog onverklaarbaar, verschil gevonden op de schaal ‘spanning’. De gemiddelde score van dansstudenten ligt in tussen die van studenten lichamelijke opvoeding en die van studenten diëtetiek.

De POMS bij mannen en vrouwen
Anno 2010 zijn eenmalige POMS-invullingen beschikbaar van een groep van 1653 personen in allerlei bewegingscontexten. Deze groep bevat 809 mannen en 827 vrouwen (van 17 personen is het geslacht onbekend). De gegevens van deze groep dienen als referentiegroep; de gegevens van zowel de eerste als de tweede dansgroep (zie boven) zijn onderdeel van de referentiegroep; dat zijn in totaal 122 hbo-dansstudenten (22 mannen, 100 vrouwen).

Binnen deze groep van 122 hbo-dansers is gevonden dat de mannen een afwijkend POMS-profiel hebben van dat van de vrouwen: een significant lagere score op elk van de vier negatieve stemmingen en een hogere score op ‘kracht’. Dit verschil tussen mannen en vrouwen wordt overigens ook gevonden bij vergelijking van mannen en vrouwen in de totale groep van 1653 personen, met een evenwichtiger getalsverhouding tussen beide geslachten  (809 mannen en 827 vrouwen).

Verschil tussen danseressen en voetbalspeelsters
Binnen de dans is er geen evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen. Dit werd hierboven al geïllustreerd door het aantal mannen (22) in de groep van hbo-dansstudenten (tegenover 100 vrouwen). In deze sectie worden daarom de resultaten gepresenteerd van een vergelijking van de POMS van een viertal groepen vrouwen.

Als uitgangspunt zijn de gegevens van de vrouwen van de beide hbo-dansgroepen samengevoegd (zie boven; n=100; groep A).

Daarnaast zijn er gegevens van twee dansgroepen waarvan de gegevens zijn verkregen in het HDD-project: 32 hbo-dansstudenten en 11 professionele dansvrouwen. Tijdens het project hebben de deelnemers over een langere periode de POMS ingevuld. De 32 dansstudenten hebben tezamen in totaal 829 keer de POMS ingevuld (groep B), de professionals 262 keer (groep C).

De vierde groep zijn de vrouwen die tijdens het competitieseizoen 2008-2009 voetbalden bij één van de zeven teams in de Nederlandse eredivisie of bij het talententeam (dat in het kader van een talentontwikkelingsprogramma was ondergebracht bij de Hogeschool van Amsterdam en daardoor dagelijks kon trainen); door 104 voetbalvrouwen is in totaal de POMS 407 maal ingevuld in een periode van 6 weken in het voorjaar van 2009, direct na de winterstop, een relatief rustige competitieperiode (groep D).

Op elk van de vijf POMS-schalen bleek er een statistisch significant verschil tussen de vier groepen. Bij nadere toetsing (de Student Newman Keuls post-hoc test) bleek dat op elk van de vier negatieve POMS-schalen de hbo-dansstudenten (groep A) verreweg de hoogste scores behaalden, steeds gevolgd door de dansprofs (groep C), terwijl de voetbalvrouwen (groep D) steeds de laagste scores hadden. Op de schaal ‘kracht’ hadden de voetbalvrouwen en de dansstudenten (groepen D en A) de hoogste scores. De HDD-dansstudenten behaalden de laagste ‘kracht’-score. In figuur 3 zijn de POMS-patronen van de verschillende groepen weergegeven.

Figuur 3
POMS-profielen van vier groepen vrouwen: hbo-dansstudenten (n=100; 100 ingevulde POMS), hbo-dansstudenten via HDD-project (n=32; 829 POMS), professionele dansers via HDD-project (n=11; 262 POMS), voetbalvrouwen eredivisie (n=104; 407 POMS).

Geconcludeerd kan worden dat de gemiddelde scores van de hbo-dansstudenten, die eenmalig de POMS invulden, relatief hoog zijn in vergelijking met de gemiddelde scores van de vrouwen die als professioneel danser werkzaam zijn, en zeker in vergelijking met vrouwen die in de hoogste Nederlandse clubcompetitie spelen. De gemiddelden van de hbo-dansstudenten die eenmalig de POMS invulden zijn ook hoger dan de gemiddelden van een groep hbo-dansstudenten, waarbij die gemiddelden gebaseerd zijn op een reeks ingevulde POMS-en. Dit geldt zowel voor het gemiddelde berekend over alle ingevulde 829 POMS-en als voor het gemiddelde over 54 personen; nadat dus eerst een gemiddelde score voor elk van de POMS-schalen is berekend over alle POMS-en die door de betreffende persoon zijn ingevuld.

In antwoord op hoofdvraag 2 moet gezegd worden dat vrouwen in het algemeen een negatiever POMS-patroon vertonen dan mannen. Dit geldt ook in de dans.

Als de POMS-scores van vrouwelijke hbo-dansstudenten vergeleken worden met die van voetbalsters, dan valt met name op dat de dansstudenten veel hogere scores hebben op de negatieve POMS-schalen (spanning, depressie, vermoeidheid, boosheid) dan de voetbalsters, terwijl er geen verschil bestaat op de positieve POMS-schaal (kracht).

De relatie tussen de POMS en (over)belasting bij dansstudenten
De POMS wordt vooral relevant geacht voor het ontdekken van beginnende overtraining. De analyse van de gegevens van de POMS en de Checklist Overtraining (Kuipers, 2006) bevestigde dit bij een hoofdklasse hockeyteam dat gedurende een competitieseizoen beide vragenlijsten invulde (Van Rossum, 2008b). Er werd een significant ander (lees: vlakker) POMS-patroon gevonden bij degenen die tenminste één element hadden aangekruist dat indicatief is voor beginnende overtraining.

In een onlangs afgerond onderzoek bij hbo-dansstudenten is geprobeerd de relatie tussen (over)belasting en het POMS-profiel inzichtelijk te maken (Schouten & Wit, 2009; hierboven is deze groep aangeduid als de tweede dansgroep). De dansstudenten vulden een uitgebreide vragenlijst in tegen het einde van het schooljaar, een periode die traditioneel als ‘zwaar’ wordt gezien. Berekend over de gehele groep dansstudenten, vertoonde de POMS het typerende ijsbergprofiel. Bij vergelijking tussen dansstudenten die aangaven op een positieve manier met ‘alledaagse problemen’ om te gaan en studenten die een meer negatieve manier hanteerden, bleek het POMS-profiel te verschillen. De ‘positieve’ groep bleek een significant lagere score te hebben op drie van de vier negatieve POMS-schalen: depressie, boosheid en spanning, terwijl op ‘vermoeidheid’ een neiging tot significantie bestond (p=0,05).

Conclusies
De belangrijkste conclusie is dat de Nederlandse Verkorte POMS een instrument is dat betrouwbare scores oplevert bij dansstudenten en professionele dansers, zowel in de oorspronkelijke Nederlandse versie als in de vanuit het Nederlands in het Engels vertaalde versie.

De resultaten van verschillende dansgroepen geven een complex beeld. Enerzijds (vraag 1) zijn dansers niet anders dan anderen, althans als hbo-dansstudenten worden vergeleken met andere hbo-studenten. Anderzijds (vraag 2): in vergelijking met voetbalsters ziet het POMS-profiel van vrouwelijke dansers er vlakker uit, hoewel het typerende ijsbergprofiel nog duidelijk aanwezig is. Om dit beeld te verduidelijken zal in toekomstig onderzoek meer aandacht nodig zijn voor de context waarbinnen de POMS is ingevuld, zodat variaties in het POMS-profiel herleid kunnen worden naar de door de invuller beleefde belasting. Dat dit een relevante toevoeging is, blijkt uit het verschil in POMS-patroon dat gevonden is in het onderzoek naar overbelasting (vraag 3).

De POMS kan niet gezien worden als een instrument om een uitgebalanceerd zicht te krijgen op de stemmingen van een persoon: door de vier negatieve schalen is er meer aandacht voor negatieve stemmingen. In de inleiding werd in een citaat al aangegeven dat dit eigenlijk logisch is: het zijn immers juist de negatieve gemoedstoestanden die een aanwijzing zijn dat overbelasting op de loer ligt.

In het slothoofdstuk van een boek naar overtraining in de sport trekt Flynn (1998, p.374) als belangrijkste conclusie: ‘the only ‘treatment’ is prevention’. De conclusie in een meer recent overzicht (Berger & Tobar, 2007, p.608) luidt: ‘The only proven treatment for staleness is rest’. Juist omdat een gedwongen rustperiode weken tot maanden kan duren, is voorkómen dus sterk te prefereren boven genezen.

Het ligt, vanuit bovenstaande samenvatting van het ontstaansproces van overbelasting, voor de hand dat een instrument dat op kernachtige manier een weergave geeft van de totale beleefde belasting, een nuttig hulpmiddel kan zijn om signalen van dreigende overbelasting op te vangen. De vier negatieve stemmingen van de POMS moeten dus gezien worden als een samenvattende weergave van alle factoren die in het dagelijks leven van de sporter of danser een rol spelen: sport/dans, gezin, vrienden, school/werk, et cetera.

Overigens betekent dit niet dat de positieve stemming (‘kracht’) onbelangrijk zou zijn. Uit met name de gegevens van de hockey- en voetbalspeelsters is gebleken dat ook bij het ontbreken van relatief hoge scores op de negatieve stemmingen, de score op ‘kracht’ te wensen kan overlaten. Verder is gebleken dat de score op ‘kracht’ niet omgekeerd evenredig is aan die van ‘vermoeidheid’. In de onderzoeksreferentiegroep werd zowel bij mannen als vrouwen een matige negatieve correlatie tussen beide POMS-schalen gevonden (Pearson product-moment correlatie: -,40). Bij de dansgroepen werd bij de eenmalige invullingen een soortgelijke correlatiewaarde gevonden, en bij de HDD-gegevens een waarde van –0,31 voor de hbo-dansers en –0,36 voor de professionals. Aan het verband tussen ‘kracht’ en ‘vermoeidheid’ kan de volgende betekenis worden gegeven. Een relatief lage score op ‘kracht’ geeft weer dat de persoon ‘er weinig zin in heeft’, in de betekenis van weinig animo hebben, zich niet energiek voelen. Dit ontbreken van ‘zin hebben’ is dus, ook voor de dansers, blijkens de gevonden correlaties, niet hetzelfde als ‘moe zijn’. Een hoge score op ‘kracht’ staat voor ‘gretig zijn’, ‘er zin in hebben’, ‘er aan willen beginnen’.

In de inleiding werd gezegd dat een kernthema bij het voorkómen van overbelasting de beleving of ervaring van gebeurtenissen is. Gezegd werd dat de persoonlijke interpretatie van gebeurtenissen centraal staat: wat voor de een gemakkelijk plaatsbaar of verwerkbaar is, blijkt een ander uit balans te brengen. Het lijkt dan ook onvermijdelijk om, naast de belastende factoren, ook oog te hebben voor ‘hulpbronnen’; een goed voorbeeld hiervan is het recente onderzoek onder hbo-dansers van Schouten en Wit (2009). De combinatie van stressoren en ‘protective factors’ bepaalt de weerbaarheid van de sporter of danser. Zo’n combinatie is niet statisch, zoals een stevig bouwwerk, maar is dynamisch en daardoor ook vaak niet goed voorspelbaar. Het is om die reden belangrijk om steeds ‘de vinger aan de pols te houden’. Dat kan de persoon in kwestie zelf doen, zoals in het HDD-project succesvol bleek te kunnen met behulp van de POMS. Dat kunnen ook ‘significant others’ doen: de trainer-coach, de dansdocent, of een andere functionaris die in de professionele context als begeleider of opleider het vertrouwen van de invuller geniet. Hiermee zijn goede ervaringen opgedaan in het hockey en het voetbal (vgl. Van Rossum, 2008b); in de meeste gevallen was het de (hoofd)coach aan wie de POMS-gegevens van de sporter toevielen, terwijl in andere gevallen de sportarts heel goed met de POMS-gegevens bleek te kunnen ‘werken’.

Bronnen

  • Ark, L.A. van der, D. Marburger, G.J. Mellenbergh, H.C.M. Vorst en F.D.M. Wald. (2007). Nederlandse Verkorte Profile of Mood States (Verkorte POMS). Handleiding en verantwoording. Amsterdam: Harcourt Test Publishers
  • Berger, B.G. and D.A. Tobar. (2007). Physical activity and quality of life. In: G. Tenenbaum and R.C. Eklund (eds). Handbook of sport psychology (3rd edition). New York: Wiley, p.598-620
  • Brinson, P. and F. Dick. (1996). Fit to dance? The report of the National Inquiry into dancers’ health and injury. London: Calouste Gulbenkian Foundation
  • Cockerill, I.M. (1996). Sport psychology and the elite athlete. In: A.J. Cropley and D. Dehn (eds). Fostering the growth of high ability: European perspectives. Norwood, NJ: Ablex, p.312-332
  • Collard, D.C.M. (2005). De negatieve effecten van intensief trainen op jeugdige leeftijd. Amsterdam: Vrije Universiteit, Bewegingswetenschappen. Niet-gepubliceerde doctoraalscriptie
  • Flynn, M.G. (1998). Future research needs and directions. In: R.B. Kreider, A.C. Fry and M.L. O’Toole (eds). Overtraining in sport. Champaign, IL: Human Kinetics, p.373-383
  • Kuipers, H. (2006). Optimalisering van training; Melkzuur, anaërobe drempel en tests (geheel herziene uitgave). Baarn: De Vrieseborch
  • Laws, H. (2005). Fit to dance 2; Report of the second national inquiry into dancer’s health and injury in the UK. London: DanceUK
  • Lingen, J.N. van (2000). Overtraining bij adolescenten in de sport. Amsterdam: Vrije Universiteit, Bewegingswetenschappen. Niet-gepubliceerde doctoraalscriptie
  • McNair, D.M., M. Lorr and L.F. Droppleman. (1971). EdITS Manual for the Profile of Mood States. San Diego, CA: Educational and Industrial Testing Service
  • Morgan, W.P. (1985). Selected psychological factors limiting performance: A mental health model. In: D.H. Clarke and H.M. Eckert (eds). Limits of human performance. Champaign, IL: Human Kinetics, p.70-80
  • O’Connor, P.J. (1997). Overtraining and staleness. In: W.P. Morgan (ed). Physical activity and mental health. Washington, DC: Taylor & Francis, p.145-160
  • Rossum, J.H.A. van (2008a). De Nederlandse POMS in de sport (deel 1). Sport-Gericht, 62 (5), p.45-48
  • Rossum, J.H.A. van (2008b). De Nederlandse POMS in de sport (deel 2). Sport-Gericht, 62 (6), p.36-41
  • Rossum, J.H.A. van (2001). HBO-dans: Aspecten van belasting en belastbaarheid. Amsterdam: Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, Theaterschool, Dansopleidingen. Niet-gepubliceerd onderzoeksrapport
  • Rossum, J.H.A. van (2000). Belasting en belastbaarheid van jeugdige dansers: Een onderzoek bij leerlingen van een dans-vooropleiding. Amsterdam: Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, Theaterschool, Dansopleidingen. Niet-gepubliceerd onderzoeksrapport
  • Rossum, J.H.A. van en A. Schaerli. (2006). Fit to Dance? – NL; Een replicatie-onderzoek onder professionele dansers in Nederland. In: M. van der Linden, L. Wildschut en J. Zeijlemaker (red). Danswetenschap in Nederland – deel 4. Amsterdam: Vereniging voor Dans Onderzoek, p.76-88
  • Schouten, J. and M. Wit. (2009). The relationship between stress and protective factors, and overtraining in dance students. Amsterdam: Vrije Universiteit, Bewegingswetenschappen. Niet-gepubliceerde Master’s Thesis
  • Wald, F.D.M. en G.J. Mellenbergh. (1990). De verkorte versie van de Nederlandse vertaling van de Profile of Mood States (POMS). Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 45, p.86-90
> Deel op Facebook > Deel op Twitter > Deel via e-mail