Auteur: Dr. Jacques H.A. van Rossum
Eerste publicatie: 01/01/2006
Taal: Nederlands
Origineel gepubliceerd in: Danswetenschap in Nederland - Deel 4
Beschikbaar gemaakt door: Vereniging voor Dansonderzoek
Thema's: Mental Health Research and Application
Media: article

Na 24 jaar gedanst te hebben bij Het Nationale Ballet, nam ballerina Nathalie Caris
in juni 2005 als eerste soliste afscheid. De Canadese die zich als aspirante op 18-jarige voegde bij het dansgezelschap, doorliep alle rangen, en won de Alexandra
Radiusprijs in 1992 (Heerma van Voss, 2005). Haar loopbaan overziend, geeft ze
blijk van een op het eerste oog volwassen aandoende visie: “We maken onszelf
kreupel met ons perfectionisme, en we vergeten dat het publiek in de zaal niet elk
foutje ziet.”. Ze doelt hiermee op het bij dansers sterk ontwikkelde gevoel voor zelfkritiek: “Nooit, nooit is het genoeg.”. Deze bijdrage zal aan de hand van empirische gegevens het begrip perfectionisme tegen het licht houden en het proberen te plaatsen in de context van de dans, de muziek en de sport. De uiteindelijk te beantwoorden vraag is of perfectionisme inderdaad beschouwd kan worden als een achilleshiel voor de danser. Het zou ook goed kunnen dat perfectionisme gezien moet worden als een fenomeen dat onvermijdelijk is wanneer mensen een hoog niveau van presteren nastreven.

Perfectionisme als thema
Linda Hamilton danste bij het New York City Ballet onder de artistieke leiding van
George Balanchine en bekwaamde zich na haar dansloopbaan in de klinische
psychologie met als specialiteit de psychologie van de kunst. In haar monografie
‘The person behind the mask’ (1997) schrijft ze bij het bespreken van blessures
bij dansers ook over de rol die perfectionisme kan spelen: “..the psychological
drive to be perfect often underlies performers’ destructive work habits, especially
in those who perceive a mismatch between their real and ideal self. If you recall,
personal adjustment increases as we come closer to our ideal self, whereas
shame reflects the sense of deflation that follows our inability to measure up.
Under these circumstances, the remedy is often to work harder, with unfavorable
results if this occurs regardless of injuries” (Hamilton, 1997, p. 72). Hamilton
legt hier een rechtstreeks verband tussen ‘perfectionisme’ en blessureincidentie,
met tussenkomst van de (cognitieve) interpretatie door de betreffende danser
van ‘succesvol zijn’. En als er één ding duidelijk geworden is uit onderzoek naar
‘de’ danser, dan is het wel dat er zich veel blessures voordoen in een loopbaan
(zie voor een overzicht bijvoorbeeld Brinson & Dick, 1996; Koutedakis & Sharp,
1999 of Ramel, 1999). De spanning tussen wat we willen zijn (‘ideal self’) en hoe
de dagelijkse realiteit er uit ziet, of althans door de danser ervaren wordt (‘real
self’), brengt de danser kennelijk vaak tot onverantwoorde (extra) inspanningen.
Gelukkig is de behoefte aan perfectionisme niet zonder meer gekoppeld aan
blessures: “Nathalie Caris heeft nauwelijks blessures gehad. De langste periode
dat ze uitviel was het kleine reces dat ze inlastte na de geboorte van haar
tweede dochter, anderhalf jaar geleden.” Maar dat perfectionisme iets ‘doet’ dat
niet op voorhand positief is, lijkt toch onweerlegbaar. In een meer op de
danspraktijk gericht boek (‘Advice for dancers’, 1998) noteert Linda Hamilton het
volgende: “..dancers who are perfectionists often put excessive pressures on
themselves (…) dancers who have become their own worst enemies” (p. 14) en
“Up to a point, it helps to be a perfectionist in dance, or you’d never be willing to
repeat the same steps over and over again” (p. 127). Het beeld dat hieruit naar
voren komt is tweeërlei: niet alle dansers zijn perfectionisten, maar als je het
bent, heeft het ook zo zijn goede kanten. Perfectionisme kan dan ook wel gezien
worden als een mooi voorbeeld van de bekende achilleshiel: het is niet alleen
een belangrijke kwaliteit, maar het is ook een kwetsbare kwaliteit. Het kan
helpen om de danser ‘onderweg’ te houden, maar kan hem of haar onderweg ook
parten spelen. Perfectionisme wordt wellicht toch vaker als een negatieve
kwaliteit beschouwd, ook in andere contexten dan die van de dans. Een tweetal
voorbeelden om dit te illustreren, in achtereenvolgens de muziek en de sport:

In een recent gepubliceerd boekje over perfectionisme (‘Perfectionism and
gifted children’, 2003) merkt auteur Rosemary Callard Szulgit op: “I am a
recovering perfectionist. I can laugh when I say it now, but I spent many of my
younger years suffering with the pain of perfectionism. I can clearly remember
the Sunday I was playing ‘Toccata and Fugue in F Minor’. I was twelve years old
and the organist at the First Presbyterian Church in Medina, New York. I made a
chord mistake and spent the afternoon crying on my bed because I was such a
failure in my own mind and heart. Every week, between the ages of twelve and
eighteen, I prepared the organ music for the Sunday services. Can you imagine?
I thought I was a failure because I would make an occasional playing error. Now
I wonder how I could even assume that much responsibility at such a young and
vulnerable age” (Callard Szulgit, 2003, p. 1).

Ook in de context van sport is perfectionisme een thema: “Perfectionistic
thinking has been assumed to play a powerful and debilitating role in sport
competition. It has been suggested that perfectionistic athletes fear failure and
mistakes to such an extent that their enjoyment of sports is greatly diminished
and their performance is impeded” (Frost & Henderson, 1991, p. 323). De
auteurs voegen daar op dezelfde bladzijde nog de volgende opmerking aan toe:
“Despite the important role perfectionism may play in athletics, little empirical
work has been done on this topic.” De opmerking dat er maar weinig empirisch
onderzoek is gedaan naar een kennelijk belangrijk fenomeen geldt evenzeer voor
de dans en voor de muziek. Voor Forst en Henderson was de constatering reden
om een vragenlijst te construeren waarmee perfectionisme gemeten zou moeten
kunnen worden. Het uitgangspunt bij zo’n vragenlijst, feitelijk een psychologische test, is dat mensen onderling sterk kunnen verschillen in de manier waarop ze aankijken tegen of bezig zijn met perfectionisme. Bij de constructie van de perfectionisme-vragenlijst vonden Frost en medewerkers het verder nadrukkelijk van belang om niet alleen de negatieve kanten van perfectionisme in beeld te krijgen, maar om ook oog te hebben voor de positieve kanten.

Het meten van perfectionisme
Door Frost en diens medewerkers is een standaardvragenlijst opgesteld waarin het begrip ‘perfectionisme’ werd uiteengelegd in meerdere facetten, de ‘Multidimensional Perfectionism Scale’ (MPS; Frost, Marten, Lahart & Rosenblate, 1990). De Engelstalige vragenlijst omvat 35 vragen die de respondent moet beantwoorden op een vijfpuntsschaal, lopend van ‘ja!’ (helemaal mee eens), via ‘ja’, ‘??’ en ‘nee’ tot ‘nee!’ (helemaal niet mee eens). Vanuit de beantwoording van de 35 vragen worden zeven scores berekend: een algemene, ‘overall’ perfectionisme-score en zes scores die elk een facet van perfectionisme weergeven. Met deze Engelse MPS is veel onderzoek verricht in de afgelopen tien jaar, veelal gericht op z.g. klinische populaties, met name groepen van psychiatrische patiënten zoals mensen met paniekaanvallen (‘panic disorder’), mensen met dwanghandelingen (‘obsessive compulsive disorder’), mensen met sterke sociale angst (‘social disorder’), mensen met een specifieke angst (‘specific phobia’) en mensen met een eetstoornis (‘anorexia nervosa’). Een overzicht van resultaten van dit onderzoek kan worden gevonden in een recente bundel met veel informatie van allerlei soort over perfectionisme: Perfectionism; Theory, research, and treatment (Flett & Hewitt, 2002). In de bundel zijn overigens onderzoeksresultaten opgenomen van verschillende Engelstalige instrumenten die geconstrueerd zijn om perfectionisme te meten. Het is opvallend, en ook wel enigszins verwarrend, dat er twee verschillende instrumenten bestaan met de aanduiding MPS, beide als afkorting voor: ‘Multidimensional Perfectionism Scale’. Naast de al genoemde vragenlijst van Frost is er de vragenlijst van Flett en Hewitt (Hewitt & Flett, 1990, 1991) 1 . In voorliggend artikel is gebruik gemaakt van de Frostversie van de MPS, de MPS_F. De Engelse MPS_Fvragenlijst is in een enkel onderzoek gebruikt in de context van de muziek (Liston, Frost & Mohr, 2003) en de sport (Forst & Henderson, 1991; Gould, Udry, Tuffey & Loer, 1996; Hall, Kerr & Matthews, 1998). In de afgelopen jaren zijn ook versies van een Nederlandse vertaling van de MPS_Fvragenlijst toegepast (Flos, 1998; Visscher et al., 2003).

In deze bijdrage is gebruik gemaakt van een eigen Nederlandse vertaling die aan HBO-dansstudenten en aan LOOT-sporters is voorgelegd (resp. Van Rossum, 2003 en
Anemaat, 2005). Verder wordt in deze bijdrage gebruik gemaakt van gegevens
die verkregen zijn met de MPS_F bij Australische muziekstudenten (Liston et al.,
2003). Het is de bedoeling in deze bijdrage perfectionisme te schetsen bij
jeugdige getalenteerden, in de dans, de muziek en de sport. Terwijl de dans
(natuurlijk) centraal staat, kan juist door de vergelijking met muziek en sport
een afgewogener en wellicht ook genuanceerder beeld van perfectionisme bij
dansers tot stand komen.

Facetten van perfectionisme
De Frostversie van de MPS kent, zoals eerder gezegd, een zestal schalen of
facetten van perfectionisme. Hieronder is voor elke schaal, naast het aantal
vragen waaruit de schaal bestaat, een typerende vraag weergegeven, als
aanduiding van de schaalinhoud:

  • Bezorgdheid over foutjes (‘Concern over mistakes’; negen vragen): het
    hebben van een negatieve reactie op foutjes en het interpreteren van een
    foutje als falen. Bijvoorbeeld: “Ik ben helemaal van mijn stuk als ik een
    fout maak”.
  • Persoonlijke normen (‘Personal standards’; zeven vragen): het stellen van
    hoge eisen en het belang van dergelijke eisen voor de zelfbeoordeling.
    Bijvoorbeeld: “Ik leg de lat hoger (stel mezelf hogere doelen) dan de
    meeste anderen”.
  • Ouderlijke verwachtingen (‘Parental expectations’; vijf vragen): het
    belang dat de persoon hecht aan het voldoen aan de verwachtingen van
    zijn/haar ouders. Bijvoorbeeld: “Mijn ouders wilden dat ik altijd overal de
    beste in was”.
  • Ouderlijke kritiek (‘Parental criticism’; vier vragen): het belang dat de
    persoon hecht aan de kritiek die zijn/haar ouders hebben. Bijvoorbeeld:
    “Als kind werd ik gestraft door mijn ouders als ik iets niet goed genoeg
    deed”
  • Twijfel over eigen handelen (‘Doubts about actions’; vier vragen): de
    neiging van een persoon om de eigen capaciteiten en de kwaliteit van de
    eigen prestatie in twijfel te trekken. Bijvoorbeeld: “Ook als ik iets heel
    nauwgezet of zorgvuldig doe, dan heb ik toch vaak het gevoel dat het niet
    helemaal goed is”.
  • Organisatie (‘Organization’; zes vragen): de behoefte van een persoon
    aan orde, nauwgezetheid en organisatie in zijn/haar leven. Bijvoorbeeld:
    “Het is erg belangrijk voor mij dat ik alles om mij heen goed geregeld /
    georganiseerd heb”.

Door het combineren van de antwoorden op alle vragen van de MPS_F, met
uitzondering van die van de schaal ‘Organisatie’, dus in totaal op 29 vragen,
wordt een algemene, ‘overall’ perfectionisme-score bepaald.

De onderzoeksgroep
De gegevens zijn verkregen van HBO-dansstudenten van de Theaterschool (Hogeschool voor de Kunsten, Amsterdam). In het kader van een onderzoek naar een danslogboek (Van Rossum, 2003) is een uitgebreide vragenlijst aan eerste- en
tweedejaarsstudenten voorgelegd. De vragenlijst had een omvang van dertien
pagina’s en bestond uit een drietal delen. In het eerste deel werden vragen gesteld over de beleving van belasting, terwijl het tweede en het derde deel een standaardvragenlijst (‘psychologische test’) bevatten: in het tweede deel de
vragenlijst naar ‘interne-externe controle’ (IE18; den Hertog, 1992) en in het
derde deel de perfectionisme-vragenlijst (MPS_F; Frost et al., 1990). Van de
vragenlijst was een Nederlandse en een Engelse versie voorhanden. Van de 67
studenten die de vragenlijst hebben geretourneerd (response-percentage is
83%), is door 46 studenten de Nederlandse en door 21 de Engelse versie
ingevuld (resp. 69% en 31%) 3 . De vragenlijst werd niet anoniem ingevuld omdat het de bedoeling was de gegevens te gebruiken bij de selectie van studenten die in de volgende fase van het onderzoek zouden worden gevraagd een danslogboek daadwerkelijk gedurende een bepaalde periode bij te houden. De 67 aan het onderzoek deelnemende dansstudenten zijn afkomstig van de volgende drie dansopleidingen van de Theaterschool: ‘Jazz Musical Opleiding’ (JMO; n=29), ‘Moderne Theaterdans’ (MTD; n=27) en ‘Nationale Ballet Academie’ (NBA, klassieke dans; n=11). Het gaat om 10 mannen en 57 vrouwen. Zij besteden gemiddeld ruim 40 uur per week aan de dans: 23,6 uur aan danslessen, 3,8 uur aan theorielessen, 4,6 uur aan ‘noodzakelijke randverschijnselen’ (zoals: verzorging lichaam, massage, fysiotherapie, blessurebehandeling), 2,5 uur aan ‘ondersteunende activiteiten’ (activiteiten ter verbetering of het onderhouden van de lichamelijke conditie, zoals: jogging, krachttraining, zwemmen, aerobics, Feldenkreis), 1,9 uur aan repetitie en/of
voorstelling, en 6,7 uur aan reistijd tussen huis en opleiding/danslocatie. De leeftijd van de dansgroep is gemiddeld 20,6 jaar (variërend van 17 tot 28). Deze groep HBO-dansstudenten geeft op de eerste dansles te hebben gekregen op de leeftijd van gemiddeld 7,9 jaar, met een zeer ruime spreiding, van drie tot negentien jaar. Gemiddeld blijkt de student 7,5 jaar serieus met dansen bezig te zijn, eveneens met een sterke variatie (van 0,6 tot 18 jaar). Verder is gevraagd welke rol de dansopleiding op dit moment speelt in het leven van de dansstudent. Voor de overgrote meerderheid (73%, n=49) is die rol ‘zeer belangrijk’; voor 19% (n=13) ‘nogal belangrijk’ en voor enkele (n=3) ‘enigszins belangrijk’ of (n=1) ‘niet erg belangrijk’.

Contrastgroepen
Er zijn gegevens van de MPS_F van een tweetal contrastgroepen beschikbaar om
de dansgegevens van een achtergrond te voorzien en het daardoor ook mogelijk
te maken tot een oordeel te komen over de hoogte van de perfectionisme-scores
van de HBO-dansgroep. Van de beide contrastgroepen wordt hier kort enige
informatie gegeven. De eerste groep bestaat uit Australische muziekstudenten,
118 ‘undergraduate and postgraduate music students’, 43 mannen en 75 vrouwen
met een gemiddelde leeftijd van 21,3 jaar, variërend van 16 tot 61 jaar (Liston,
Forst & Mohr, 2003). Ze beoefenen allerlei instrumenten: ‘The sample consisted
of 22 woodwind and brass players, 38 string players, 15 keyboard players, 33
vocalists and 10 percussion players’, en zijn voor het merendeel gericht op de
uitvoerende muziek (‘performance disciplines’) (Liston et al., 2003 p. 121). De
MPS_F werd afgenomen als onderdeel van een omvangrijke reeks psychologische
tests, teneinde podiumangst te kunnen voorspellen. In het artikel worden alleen
relaties tussen variabelen weergegeven. De informatie over de gemiddelde
scores op de perfectionisme-schaal zijn door de derde auteur (Philip Mohr) op
verzoek beschikbaar gesteld ten behoeve van een vergelijking met de gegevens
van de HBO- dansgroep. De tweede contrastgroep bestaat uit jeugdige Nederlandse topsporters (n=198). Het gaat om leerlingen van zogenoemde LOOT-scholen
(LOOT staat voor: Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport), meer in het bijzonder die
leerlingen die in de zogenoemde LOOT-stream zitten. Deze leerlingen zijn als
getalenteerd gekwalificeerd door de eigen sportbond en/of door de landelijke organisatie NOC*NSF (Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport
Federatie). De leerlingen zijn afkomstig van vier verschillende LOOT-scholen, hun gemiddelde leeftijd is 14,1 jaar, lopend van twaalf tot achttien jaar (Anemaat, 2005). De groep van jeugdige topsporters is gemiddeld ruim twaalf uur per week met de actieve sportbeoefening (training en wedstrijden) bezig, en besteedt gemiddeld ruim twintig uur per week aan de sport. In het onderzoek waaruit de hier geciteerde cijfers afkomstig zijn (Anemaat, 2005) is naast de topsportgroep ook een groep wedstrijdsporters (n=174) en een groep recreatiesporters (n=107) betrokken, allemaal van dezelfde vier LOOT-scholen (de totale onderzoeksgroep omvat 479 leerlingen, 292 jongens en 187 meisjes). De groepen van wedstrijden recreatiesporters zijn gemiddeld resp. ruim zes en bijna drie uur per week met actieve sportbeoefening bezig en besteden resp. bijna negen en bijna vijf uur per week aan de door hen beoefende sport.

Onderzoeksresultaten
Perfectionisme: Dans, muziek en sport
In de beide Nederlandse onderzoeksgroepen (dans, sport) is voor de perfectionisme-vragenlijst de betrouwbaarheid van de scores berekend, waarbij is uitgegaan van de in het eerdere onderzoek van Frost e.a. (1990) vastgestelde schaalsamenstelling. Dit betekent dat de de coëfficiënt alpha (Cronbach’s alpha) is berekend voor de totaalscore (‘overall’ perfectionisme) en voor de zes eerder genoemde schalen; bij een alpha die lager is dan 0,70 wordt de betreffende schaalscore als onbetrouwbaar beschouwd en dus ook niet in de verdere statistische analyses betrokken. Elk van de scores is weergegeven op een schaal van een tot vijf (de ‘antwoordbreedte’)
zodat de schaalgemiddelden, ondanks de verschillen in aantal vragen per schaal, onderling goed vergelijkbaar zijn.

In de Nederlandse vertaling bleken in het onderzoek met de HBO-dansstudenten
vijf van de zes schalen voldoende betrouwbaar (Cronbach’s alpha tenminste 0,70), terwijl de schaal ‘Twijfel over eigen handelen’ onvoldoende betrouwbaar bleek. Voor de onderzoeksgroep van de jeugdige sporters werd voldoende betrouwbaarheid vastgesteld bij vier van de zes schalen, en bleken ‘ouderlijke kritiek’ en twijfel over eigen handelen’ onvoldoende betrouwbaar. De gegevens van de onvoldoende betrouwbare schalen schaal zijn verder niet geanalyseerd en dus ook niet in de rapportage opgenomen. In tabel 1 zijn de betrouwbaarheidsgegevens opgenomen van de beide Nederlandse onderzoeksgroepen en is, ter vergelijking, informatie uit Amerikaans onderzoek weergegeven. Verder zijn in tabel 1 de gemiddelde scores opgenomen voor drie groepen: de dans, de sport en de muziek betreffend. Doordat naast de gemiddelden ook de spreiding (SD) bekend is, kon paarsgewijs getoetst worden of er statistisch significante verschillen tussen de groepen bestaan. Er bleek geen verschil tussen de dans, de sporten de muziekgroep op ‘overall’perfectionisme
en evenmin op de schalen ‘bezorgdheid over foutjes’, ‘persoonlijke normen’, ‘ouderlijke kritiek’ en ‘organisatie’. Op de schaal ‘ouderlijke verwachtingen’ bleek de muziekgroep een significant hoger gemiddelde te hebben dan de dansen dan de sportgroep (resp. T’s 2,85 en 2,00; p<0,05).


De eerste conclusie die op grond van de gegevens getrokken kan worden over de HBO-dansgroep is dat deze groep in het algemeen niet opvallend of afwijkend blijkt te scoren op perfectionisme. Het lijkt er dus op dat perfectionisme geen kwaliteit is waarin dansers bij uitstek uitblinken. Hoewel dansers worden geacht sterk perfectionistisch te zijn ingesteld (zie de Inleiding), lijkt de gemiddelde score van de dansstudenten in absolute zin niet hoog: een gemiddelde van 2,59 op een schaal die van 1 tot 5 loopt. Ook zijn er geen extreem hoge scores geconstateerd: de hoogste individuele score is namelijk 3,93.

Overigens hoeft er binnen de dansgroep geen onderscheid te worden aangebracht tussen mannen en vrouwen, tussen eerste- en tweedejaarsstudenten en tussen studenten van de drie dansopleidingen (JMO, MTD, NBA, zie boven) 6 . De getrokken conclusie lijkt dan ook te gelden voor ‘de’ danser-in-opleiding. En die danser lijkt geenszins kwetsbaarder dan de muziekstudent of de jeugdige topsporter. Dat perfectionisme een achilleshiel voor de danser zou zijn lijkt dus niet te worden ondersteund door de gepresenteerde cijfers.

Perfectionisme: Dans en ‘gewone’ mensen
Om de vraag te kunnen beantwoorden of talentvolle dansers méér perfectionistisch zijn dan ‘gewone’ dansers of dan ‘gewone’ mensen, moet er informatie zijn vanuit andere of contrastgroepen. Ter illustratie: in het sportonderzoek waren drie subgroepen opgenomen: een topsportgroep (n=198), een wedstrijdsportgroep (n=174) en een recreatiesportgroep (n=107) (Anemaat, 2005). Topsporters behaalden een statistisch significant hoger gemiddelde op ‘overall’perfectionisme dan de wedstrijdsporters, en die bleken weer een hogere gemiddelde score te hebben dan de recreatiesporters. Er werd ook op de verschillende perfectionismeschalen een significant effect voor de factor ‘sportniveau’ gevonden, maar hier diende voor de juiste interpretatie van het gevonden effect vaak ook de factor ‘sekse’ en/of ‘sporttype’ (individuele sport, teamsport) in aanmerking te worden genomen (Anemaat, 2005). Generaliserend vanuit de sportresultaten zou dan ook aangenomen kunnen worden dat dansers van verschillend niveau zich ook onderscheiden op perfectionisme.

In hoeverre personen die zich bezighouden met een taak waarop men wil
presteren (dans, muziek, sport) in termen van perfectionisme afwijken van
‘gewone’ mensen kan alleen worden beoordeeld als er informatie beschikbaar is
over de ‘gewone’ populatie. Het bleek minder eenvoudig om aan dergelijke
informatie te komen dan was gedacht. Er worden bijvoorbeeld geen gemiddelde
scores gerapporteerd in de artikelen van Frost e.a. (1990), Frost & Henderson
(1991), Frost & Shows (1993), Frost e.a. (1994), Frost e.a. (1997) en in Hall e.a.
(1998).

Een drietal uitzonderingen hierop zijn de onderzoeken van Antony e.a.
(1998), van Frost en Steketee (1997) en van Frost e.a. (1991). In de beide
eerstgenoemde gevallen gaat het om perfectionisme bij klinische groepen, terwijl
in die beide onderzoeken ook een niet-klinische groep als vergelijkingsgroep was
opgenomen.

Bij Antony e.a. (1998) was naast vier patiëntgroepen (in totaal n=175) ook een groep niet-klinische vrijwilligers in het onderzoek betrokken (n=49). In deze laatste groep gaat het om ‘gewone’ mensen, merendeels vrouwen (61%), met een gemiddelde leeftijd van 28,4 jaar. De vier patiëntgroepen waren mensen met een diagnose van ‘panic disorder’, ‘obsessive compulsive disorder’, ‘social phobia’ of ‘specific phobia’.
In het onderzoek van Frost en Steketee (1997) was naast een patiëntengroep een ‘community control group’ opgenomen. Deze laatste groep bestond uit 35 werknemers van een Amerikaans ‘undergraduate college’ (n=35; 11 mannen, 24 vrouwen; gemiddelde leeftijd 36,4 jaar). De patiëntengroep was samengesteld uit een groep van wie de diagnose was ‘panic/agoraphobia’ (n=14) en een groep met de diagnose ‘obsessive compulsive disorder’ (n=35).

In het als derde genoemde onderzoek (Frost et al., 1991) ging het om een groep ‘undergraduate women’ van een Amerikaans ‘college’ – over verdere kenmerken van deze groep is niets gerapporteerd, buiten dat de onderzoeksvraag naar de  overeenkomst tussen moeders en dochters een intrigerende is. Misschien ook wel een vraag die in een danscontext interessant kan zijn…

In tabel 2 zijn de gemiddelde scores naast elkaar gezet van de HBO-dansgroep,
van de Amerikaanse vrouwelijke studenten (Frost et al., 1991) en die van de
beide niet-klinische groepen van het onderzoek uit Canada (Antony et al., 1998)
en uit Amerika (Frost & Steketee, 1997). In beide laatstgenoemde onderzoeken
worden alleen de gemiddelde somscores per groep gerapporteerd – deze zijn hier
omgerekend naar een 15-schaal.

Verder is in het Canadese onderzoek (Antony et al., 1998) de ‘overall’ perfectionisme score niet gerapporteerd, terwijl in de rapportage over het Amerikaanse onderzoek (Frost & Steketee, 1997) geen gegevens zijn opgenomen over de schaal ‘organisatie’.
Een allereerste vergelijking betreft de ‘overall’perfectionisme score. Terwijl  dansstudenten een significant hoger gemiddelde hebben dan een uit volwassenen bestaande groep van ‘gewone burgers’ (M=2,29; Antony et al., 1998), komt het gemiddelde van een groep Amerikaanse ‘undergraduate’ studenten (M=2,63; Frost e.a., 1991) wel heel sterk overeen met dat van de dansstudenten (M=2,59). In tabel 2 zijn gemiddelde scores weergegeven van de drie bovengenoemde steekproeven die in dit verband heel goed als vergelijkingsgroep kunnen dienen (de schaal ‘twijfels over eigen handelen’ is niet opgenomen omdat deze schaal in de Nederlandse versie onvoldoende betrouwbaar bleek).


De cijfers zoals weergegeven in tabel 2 en de resultaten van de statistische toetsing lijken aan te geven dat dansers weliswaar soms perfectionistischer zijn dan ‘gewone’ mensen, maar dat dit geen wet van Meden en Perzen is – dansers zijn bijvoorbeeld  even perfectionistisch als (vrouwelijke) Amerikaanse studenten.

Opvallend is verder dat dansers kennelijk op een tweetal facetten van perfectionisme afwijken van de ‘gewone’ mensen: dansers geven aan dat er vanuit de ouders minder verwachtingen zijn (T=4,85; p<0,05) en dansers geven aan dat ze meer bezorgd zijn over foutjes (T=2,26; p<0,05). Zoals hierboven al werd geconcludeerd (vgl. tabel 1): op dit facet van perfectionisme blijken dansers niet te verschillen van jeugdige sporters en van muziekstudenten. Het is dan ook interessant dit aspect: ‘bezorgdheid over foutjes’, nader te bekijken, met name vanuit een vergelijking met de scores op deze schaal bij klinische, psychiatrische groepen.

Op de schaal ‘bezorgdheid over foutjes’ is het door Antony e.a. (1998) gerapporteerde gemiddelde voor enkele van de klinische groepen op hetzelfde niveau als dat van de dansstudenten (2,52): de groep van ‘panic disorder’ patiënten heeft een gemiddelde score van 2,68 en de groep van patiënten die leiden aan ‘obsessive compulsive disorder’ (OCD) een gemiddelde van 2,39. Ook de OCD-groep in het onderzoek van Frost en Steketee (1997) blijkt een relatief hoge gemiddelde score op ‘bezorgdheid over foutjes’ te hebben (2,70), terwijl de groep van ‘panic/agoraphobia’patiënten
gemiddeld 2,91 scoort. Hoewel dansstudenten natuurlijk geen psychiatrische patiënten zijn, blijken ze op de schaal ‘bezorgdheid over foutjes’ een gemiddelde score te hebben die bij nader inzien beschouwd moet worden als relatief hoog en overeenkomstig die van klinische, psychiatrische patiëntgroepen.

Conclusies
Perfectionisme in dansers is, blijkens de hier gepresenteerde onderzoeksgegevens, geen uniek fenomeen. Het doet zich in ongeveer dezelfde mate voor bij andere personen, die met een prestatie-taak bezig zijn. Muziekstudenten en jeugdige sporters blijken even perfectionistisch als de dansers-in-opleiding. Perfectionisme lijkt dan ook eerder een kwaliteit die samenhangt met de ambitie om ergens erg goed in te worden en/of te blijven. Het is vanuit die gedachte logisch dat bij jeugdige sporters gevonden werd dat het niveau waarop de sport beoefend wordt covarieert
met de hoogte van de score op perfectionisme.

Dansers hebben een relatief hoge score op ‘bezorgdheid over foutjes’. Daarin zijn
ze evenmin uniek: muziekstudenten en jeugdige sporters scores even hoog. Dat
de score sterk overeenkomt met die van klinische, psychiatrische patiëntgroepen
is, bij nadere beschouwing, misschien ook wel niet zo vreemd: als iemand de ambitie heeft om ergens heel goed in te willen worden, mogen details niet genegeerd worden. De aandacht voor details lijkt dan ook een belangrijk, zelfs noodzakelijk element in de pogingen zich zodanig te verbeteren dat het beoogde hoge prestatieniveau bereikt kan worden. Perfectionisme kan dan ook inderdaad beschouwd worden als de achilleshiel van elke ambitieuze danser, musicus en sporter: het is inderdaad nooit genoeg, maar het kan altijd beter. Als vanuit deze gedachte ‘concern over mistakes’ niet meer geïnterpreteerd wordt als ‘bezorgdheid over foutjes’, maar als ‘angst voor foutjes’ is de drijfveer geworden tot het spreekwoordelijke zwaard van Damocles…

Perfectionisme kan zich gemakkelijk koppelen aan, of misschien beter: tot uiting komen in, voor dansers alledaagse zaken: bij de HBO-dansgroep bleek dat dansers die aangaven problemen te hebben met eten, problemen te hebben met hun gewicht of problemen te hebben met hun lichaam (dit is, met hun uiterlijk) een gemiddeld hogere score hadden op perfectionisme dan dansers die aangaven hier geen problemen mee te hebben (Van Rossum, 2003). Wellicht wordt in deze situaties het middel gemakkelijker tot een doel op zich.

Op de BBC Science-website wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen van
perfectionisten. Normale perfectionisten stellen zichzelf hoge eigen maar verlagen die eisen als de situatie dat vereist, terwijl neurotische perfectionisten nooit het gevoel hebben dat ze iets goed genoeg hebben gedaan. De laatsten houden bij hun oordeel geen rekening met de omstandigheden, zijn dus weinig flexibel in hun zelfkritiek en vinden elk foutje er één te veel. Over deze laatste categorie van de neurotische perfectionist vertelde in de inleiding een musicus over haar omgang met een foutje in haar jonge jaren. Volgens BBC Science loopt de neurotische perfectionist een verhoogd risico op depressie, alcoholisme, sociale angst, hartinfarct, obsessief-compulsief gedrag (zoals: smetvrees), zelfmoord, anorexia nervosa en schrijversblok.

Het is tegen deze achtergrond misschien geruststellend te weten dat de eerder aangehaalde musicus er kennelijk mee heeft leren omgaan, of misschien wel er van kan genezen: “I am a recovering perfectionist” (Callard Szulgit, 2003, p. 1). Ook perfectionisme is dus een nuttige kwaliteit zolang het in dienst staat van de eigen ambitie, maar houdt op nuttig te zijn zodra het een doel op zichzelf is geworden.

Bronnen

  • Anemaat, F. (2005). Perfectionisme en (top) sporttalent; Veldonderzoek naar de mate van perfectionisme en Big Five persoonlijkheidstrekken bij jeugdige (top) sporters. Universiteit Maastricht (Niet gepubliceerd doctoraal onderzoeksverslag, uitgevoerd onder begeleiding vanuit de Faculteit der Bewegingswetenschappen, Vrije Universiteit, Amsterdam)
  • Antony, M.M., Purdon, C.L., Huta, V. & Swinson R.P. (1998). Dimensions of perfectionism across the anxiety disorders. Behaviour Research and Therapy, 36, 1143-1154
  • Bakema, R., Visscher, C. & Lemmink, K. (niet gedateerd). Uitval binnen het jeugdturnen. Groningen: Instituut voor Bewegingswetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen. (Niet gepubliceerd onderzoeksrapport)
  • Brinson, P. & Dick, F. (1996). Fit to dance? The report of the National Inquiry into dancers’ health and injury. London: Calouste Gulbenkian Foundation.
  • Callard Szulgit, R. (2003). Perfectionism and gifted children. Lanham, MD: The Rowman & Littlefield Publishing Group.
  • Flett, G.L. & Hewitt, P.L. (2002). Perfectionism; Theory, research, and treatment. Washington DC: American Psychological Association.
  • Flos, C.H.G.M. (1998). Validiteit en betrouwbaarheid van de Multidimensionaal Perfectionisme Schaal. Universiteit Maastricht. (Niet gepubliceerde studentenonderzoeksrapportage)
  • Frost, R.O. & Henderson, K.J. (1991). Perfectionism and reactions to athletic competition.Journal of Sport & Exercise Psychology, 13, 323-335.
  • Frost, R.O. & Shows, D.L. (1993). The nature and measurement of compulsive indecisiveness. Behaviour Research and Therapy, 31 (7), 683-692.
  • Frost, R.O. & Steketee, G. (1997). Perfectionism in obsessive-compulsive disorder patients. Behaviour Research and Therapy, 35 (4), 291-296.
  • Frost, R.O., Lahart, C.M. & Rosenblate, R. (1991). The development of perfectionism: A study of daughters and their parents. Cognitive Therapy
  • and Research, 15 (6), 469-489.
  • Frost, R.O., Marten, P., Lahart, C. & Rosenblate, R. (1990). The dimensions of perfectionism. Cognitive Therapy and Research, 14 (5), 449-468.
  • Frost, R.O., Steketee, G., Cohn, L. & Griess, K. (1994). Personality traits in subclinical and non-obsessive-compulsive volunteers and their parents. Behaviour Research and Therapy, 32 (1), 47-56.
  • Frost, R.O., Trepanier, K.L., Brown, E.J., Heimberg, R.G., Juster, H.R., Makris, G.S. & Leung, A.W. (1997). Selfmonitoring of mistakes among subjects high and low in perfectionistic concern over mistakes. Cognitive Therapy and Research, 21 (2), 209-222.
  • Gould, D., Udry, E., Tuffey, S., & Loer, J. (1996). Burnout in competitive junior tennis players: I. A quantitative psychological assessment. The Sport Psychologist, 10, 322-340.
  • Hall, H.K., Kerr, A.W. & Matthews, J. (1998). Precompetitive anxiety in sport: the contribution of achievement goals and perfectionism. Journal of Sport & Exercise Psychology, 20, 194-217.
  • Hamilton, L.H. (1998). Advice for dancers. Emotional counsel and practical strategies. San Fransisco: Jossey-Bass.
  • Hamilton, L.H. (1997). The person behind the mask. A guide to performing arts psychology. London: Ablex.
  • Heerma van Voss, S. (2005). ‘Nooit, nooit is het genoeg’; Ballerina Nathalie Caris over 24 jaar dansen. NRC Handelsblad, 22 juni 2005.
  • Hewitt, P.L. & Flett, G.L. (1990). Perfectionism and depression: A multidimensional analysis. Journal of Social Behavior and Personality, 5, 423-438.
  • Hewitt, P.L. & Flett, G.L. (1991). Perfectionism in the self and social contexts: Conceptualization, assessment, and association with psychopathology. Journal of Personality and Social Psychology, 60, 465-470.
  • Hertog, P.C. den (1992). De ‘IE18 locus of control’ vragenlijst; betrouwbaarheid en validiteit van een gewijzigde versie. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 47, 82-87.
  • Koutedakis, Y. & Sharp, N.C.G. (1999). The fit and healthy dancer. New York: Wiley.
  • Levenson, H. (1981). Differentiating among internality, powerful others, and change. In H. Lefcourt (Ed.), Research with the locus of control construct (pp. 15-63). New York: Academic Press.
  • Liston, M., Frost, A.A.M., & Mohr, P.B. (2003). The prediction of musical performance anxiety. Medical Problems of Performing Artists, 18, 120-125.
  • Ramel, E. (1999). Working conditions and musculoskeletal disorders in professional ballet dancers in Sweden. Lund, Sweden: Lund University, Department of Physical Therapy. (niet-gepubliceerde Ph.D. thesis)
  • Rossum, J.H.A. van (2003). Danslogboek: Een onderzoeksproject. Evaluatie van een danslogboek. Amsterdam: Hogeschool voor de Kunsten, Dansopleidingen. (Niet-gepubliceerd onderzoeksrapport)
  • Stöber, J. (1998). The Frost Multidimensional Perfectionism Scale revisited: More perfect with four (instead of six) dimensions. Personality and Individual Differences, 24 (4), 481-491.
  • Visscher, C., Bakema, R., Elferink-Gemser, M. & Lemmink, K, (2003). Uitval binnen het jeugdturnen. SportGericht, 57 (3), 48.
> Deel op Facebook > Deel op Twitter > Deel via e-mail