Auteur: Boni Rietveld
Eerste publicatie: 01/01/1999
Taal: Nederlands
Origineel gepubliceerd in: Stichting Gezondheidszorg voor Dansers - Nieuwsbrief 6
Thema's: Injury Prevention
Media: article

Presentatie door dr. Boni Rietveld, orthopaedisch chirurg, t.g.v. de studiedag “De oudere dansdocent” bij het 30 jarig bestaan van de NBDK op 23 maart 1996 in de Gemeentelijke Muziekschool te Utrecht.

1. Inleiding:

Vanaf 1982 is dr. Boni Rietveld nauw betrokken bij de gezondheidszorg voor dansers. Op 1 april 1993 startte hij een spreekuur voor dansers en musici in het Westeinde Ziekenhuis te Den Haag. Op 19 september 1994 werd het Medisch Centrum voor Dansers en Musici aldaar officiëel geopend. Het totale aantal polikliniek bezoeken is van 429 in 1993 gegroeid naar 820 in 1994 en 1230 in 1995. Voor de studiedag “De oudere dansdocent” werd een analyse verricht van alle dansers m/v van 45 jaar en ouder die in de afgelopen jaren bij dr.Rietveld op consult zijn geweest. Op die manier wordt een beeld gegeven van een gemiddelde, “oudere” danskunstenaar, zoals die het spreekuur bezoekt. In de presentatie worden o.a. de volgende vragen beantwoord: Om hoeveel “oudere” danskunstenaars gaat het? Wat is hun gemiddelde leeftijd? Zijn het meer mannen of vrouwen? Docenten of uitvoerende dansers? Klassiek ballet of andere dansvormen? Welke blessures vormden de aanleiding om het spreekuur te bezoeken? En, wellicht het belangrijkste, kunnen we daar lessen uit leren ter preventie?

2. Algemeen:
In 1994 werden de eerste 345 dansers die het spreekuur bezocht hadden geanalyseerd. Die groep vormt nu een aardige vergelijkingsgroep, omdat dat dansers van alle leeftijden en nu slechts de ouderen” eruit geselecteerd werden.

Tot maart 1996 werden in totaal 727 (=100%) dansers gezien: 345 (=47%) vóór september 1994 en 382 (=-53%) tus sen september 1994 en maart 1996. Van deze 727 dansers blijken er 66 (=9%) 45 jaar of ouder. Deze 66 dansers vormen de groep die nader wordt bestudeerd. (tabel 1) Het feit dat het maar 9% van het totaal is kan meer dingen betekenen: o.a. er zijn maar weinig oudere danskunstenaars.. Of: er zijn er wel veel, maar ze hebben geen blessures. Of: er zijn erg veel jongere dansers met blessures. Hoe het ook zij, in elk geval stemt het overeen met de observatie dat op het spreekuur vooral veel jongere dansers gezien worden, veelal leerlingen van de verschillende vooropleidingen en dansacademies. Leerlingen, die tijdens hun opleiding geconfronteerd worden met het strenge selectieproces dat dans uiteindelijk ook is.



De 66 dansers van 45 jaar of ouder gaan we thans nader bekijken: Hun gemiddelde leeftijd blijkt 52 jaar. Er waren 9 (=13,6%) mannen en 57 (=ca. 86,3%) vrouwen. De meerderheid, 39 van de 66 (=59%) blijkt, zoals te verwachten, docent. Verder: 5 ex-docenten, 4 beroepsdansers, 7 ex-beroeps-dansers, 8 amateurs en 3 “overig”. De beoefende stijl is voornamelijk klassiek ballet (34 van de 66 = 52%), met jazz (16 van de 66 = 24%) en modern (15 van de 66 = 23%) op een gedeelde 2e plaats. Verder: 4 ballroom, 3 caractère, 6 overig (flamenco, buikdans, Mexicaans, Afrikaans / Derwish en salsa).

3. Blessures:
De 66 dansers van 45 jaar en ouder hadden samen 92 blessures. Dat is 1,4 blessure per danser. Dat getal ligt iets lager dan dat voor de totale groep van alle leeftijden, zoals die in 1994 werd geanalyseerd, dat waren er 1,7 per danser. (zie tabel 2). De 92 blessures worden nader bekeken (tabel 3a). Bij de dansers ouder dan 45 jaar blijkt, net als bij de groep van alle leeftijden, 3/4 van de klachten de onderste extremiteit (heup, knie, enkel en voet) te betreffen. (zie tabel 3a de met * gemerkte onderdelen en tabel 3b) 

Binnen de groep van onderste extremiteit-problemen zien we echter een opvallende verschuiving: Het percentage enkel-problemen is teruggezakt van 27% naar 3%. De rug en de heup zijn iets toegenomen, maar er zijn vooral veel meer voetproblemen bij de oudere groep. De knie is in beide groepen, zowel de ouderen als de totale groep van alle leeftijden, die gemiddeld natuurlijk jonger is, een groot probleem: 25%! De knie wordt dus alleen voorbijgestreefd door de enkel bij de jongeren en door de voet bij de ouderen. (tabel 3a)

Van al die blessures blijkt het vaak (30 – 50 %) om degeneratieve afwijkingen te gaan, medisch ook wel “arthrose” genaamd. Bij de knie vinden we het hoogste percentage arthrose 52% en dan vooral achter de knieschijf (patello femoraal), namelijk in 35% van alle knieklachten. (zie tabel 4) Acute ongevallen (trauma’s) zijn zeldzaam (slechts 5%) en dan nog voornamelijk buiten de balletstudio, zoals een val bij wintersport of een verzwikte enkel op straat.

4. Preventie:
Om tot preventie van de meest voorkomende knie- en voetproblemen te komen, zullen hieronder eerst de oorzaken besproken worden:

4.1 Knie: 25% van alle klachten betreft de knie; 52 % van alle knieklachten betreft degeneratieve afwijkingen, “slijtage” of knie-arthrose; 35 % van alle knieklachten (=67 % van alle knie-arthroses) betreft “slijtage” aan de achterzijde van de knieschijf: patellofemorale arthrose. Eén van de belangrijkste oorzaken voor slijtage, of secundaire arthrose, is het niet goed in elkaar passen of “sporen” van gewrichtsvlakken, ook wel “malalignment” genoemd. Bij de knieschijf betekent dat: slecht of verkeerd sporen van de knieschijf in de groeve die gevormd wordt door de beide knobbels aan het uiteinde van het bovenbeen (= femur). Die verkeerde sporing wordt veroorzaakt door forceren van de uitdraai, “compenseren”. In het Engels wordt dat “Screwing your knees” genoemd, in de dubbele betekenis van het woord. Dat kan zelfs resulteren in uit-de-rails-lopen van de knieschijf, een zgn. patella-luxatie, die (bijna) altijd naar de buitenzijde (lateraal) van de knie plaatsvindt.

4.2 Voet: De meest voorkomende voetklachten betreffen de grote teen: 19% (5/26) van de voetklachten betreft een hallux valgus: het grondgewricht van de grote teen gaat scheef staan naar buiten en er ontstaat een “knok” aan de binnenzijde. Hallux valgus wordt ook beïnvloed door compenseren van de uitdraai en wel door “inrollen” en/of“sikkelen” van de voeten. Een hallux valgus operatie moet, zolang de danser een actieve (docenten-) carriëre ambiëert, vermeden worden, want elke operatie geeft dorsoflexie (=”flex”) verlies, waardoor relevé of démi-pointe niet meer mogelijk is.

De meest voorkomende voetklacht bij de ouderwordende dansdocent, 31% (8/26) van de voetklachten, betreft een hallux rigidus: de grote teen wordt stijf t.g.v. arthrose (slijtage) van het grondgewricht. Vaak ook onder invloed van forceren van de uitdraai, waardoor meer kracht op het gewricht komt (vgl. hallux valgus). Hoewel de slijtage onherstelbaar is, kan enige winst geboekt worden door het gewricht operatief schoon te maken. Dat resulteert vrij snel in enige verbetering van de beweging en vermindering van de pijn. Hoe lang dat effect aanhoudt is thans nog niet geheel duidelijk, aangezien de operatie pas sinds vrij kort bij dansers uitgevoerd wordt. In elk geval zijn de eerste resultaten hoopvol.  

“Alle dansblessures worden veroorzaakt door verkeerde techniek” is een stelling van Justin Howse een orthopaedisch chirurg uit Londen die veel dansers behandelt; ” Verkeerde danstechniek wordt veroorzaakt door compenseren” is de stelling die daar door dr. Rietveld aan toegevoegd wordt. Meestal betreft dat forceren van de uitdraai. Elke dansblessure is een leermoment en als zodanig een “blessing in disguise”.

Uiteraard moet “Compenseren” (en daarmee blessures!) voorkomen worden door:
Class: de dagelijkse training o.l.v. een ervaren dansdocent(-e),
Check: een op dans gerichte periodieke keuring cq. orthopaedische check-up
Conditioning: gerichte spierversterking o.l.v. een dance-fitness therapeut of Pilates-docent.
Hier blijkt het belang van een ervaren en goede dans-docent(-e): die is de eerste verdedigingslinie in de strijd tegen blessures.

5. Conclusie:
De “50 jarige danskunstenaar” uit de titel van deze presentatie betreft dus een 52 jarige vrouwelijke ballet-docente met een probleem van de onderste extremiteit, meestal de voet (28%) of de knie (25%) en maar zelden (3%) de enkel; dit laatste in tegenstelling tot de groep dansers van alle leeftijden, waar de enkel de grootste (27%) bron van klachten vormt. Knieklachten vormen bij alle leeftijden een kwart van de klachten. Bij de “ouderen” betreft het vaak (in 30 – 50%) een klacht o.b.v. degeneratieve afwijkingen, direct of indirect veroorzaakt door een verkeerde techniek en dan vooral door forceren (“compenseren”) van de uitdraai… Een “ouderwordende” en dus meer ervaren dans-docent(e) vervult, o.a. in de dagelijkse les, een centrale rol in de preventie van deze blessures.

6. Slotbeschouwing:
Maar hoe kunnen lichamelijke klachten bij de ouderwordende docenten zelf voorkomen worden? Blessures ontstaan door een acute of chronische verstoring van het o, zo belangrijke evenwicht tussen belasting en belastbaarheid. Behandeling bestaat dan uit verhogen van de belastbaarheid of, als dat niet (meer) mogelijk is vermin deren van de belasting. De klachten bij de ouderwordende docenten berusten meestal op arthrose, waardoor de belastbaarheid blijvend verminderd is. Verlichting van de belasting zal dan uitkomst moeten bieden. Daar zal in de danswereld meer rekening mee gehouden dienen te worden. De meerwaarde van de “ouderwordende” dansdocent ligt misschien niet zozeer in zijn of haar fysieke mogelijkheden, maar veeleer natuurlijk in zijn of haar ervaring en expressieve kwaliteiten. Mede gezien het grote aantal blessures dat direct of indirect te wijten is aan onvolkomen techniek, zal in de danswereld meer geprofiteerd moeten worden van de ruime ervaring van de “ouderwordende” dansdocent, waarbij tegelijkertijd verlichting van de van hen geëiste fysieke en psychische belasting nagestreefd moet worden. Dan wordt een dubbele preventie bereikt: minder blessures bij de leerlingen en minder uitval en blessures bij de “ouderwordende”, meer ervaren dansdocenten.

> Deel op Facebook > Deel op Twitter > Deel via e-mail