Auteur: Mirjam van der Linden
Eerste publicatie: 01/01/2012
Taal: Nederlands
Origineel gepubliceerd in: Danswetenschap in Nederland - Deel 7
Beschikbaar gemaakt door: Vereniging voor Dansonderzoek
Thema's: Political & Social Issues
Media: article

Soms leek het wel of de politici op het podium stonden en niet de dansers. De culturele seizoenen 2010-2011 en 2011-2012 waren de seizoenen van het cultuurbeleid. Nederland heeft een vierjarensystematiek als het gaat om de verdeling van de substantiële kunstsubsidies, dus erg lang op hun lauweren rusten kunnen instellingen nooit. Maar het debat begon deze ronde opmerkelijk vroeg en werd luid gevoerd. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Halbe Zijlstra (VVD), maakte scherpe keuzes en het veld gaf daarop scherpe kritiek.

In het regeerakkoord dat VVD en CDA met gedoogsteun van PVV op 30 september 2010 sloten, werden fikse bezuinigingen in de kunst- en cultuursector aangekondigd, waaronder een korting van €200 miljoen, een BTW-verhoging (die inmiddels weer is teruggedraaid) en de afschaffing van de kunstenaarsbijstand WIK. Op 20 november schreeuwden in zeventig steden door heel Nederland meer dan 100.000 mensen de longen uit hun lijf, aldus de cijfers van de organisatie van de manifestatie Nederland schreeuwt om cultuur. Al in december 2010, de lopende ‘Kunstenplanperiode’ was net halverwege, stuurde Zijlstra zijn eerste brief aan de Tweede Kamer. Hierin kondigde hij zijn ‘omwenteling’ aan: minder overheidsbemoeienis met de kunsten. Toen zijn nota Meer dan kwaliteit: een nieuwe visie op het cultuurbeleid in juni 2011 verscheen, liepen demonstranten de Mars der Beschaving naar het Malieveld in Den Haag, waar onder anderen de Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr stem gaf aan de zorg en verontwaardiging in de kunstwereld. Zijlstra heeft niet alleen minder geld te verdelen, hij kiest bovendien voor groot en gearriveerd: de direct door OCW gesteunde ‘Basisinfrastructuur’ (BIS) is er nog slechts voor de happy few, in de dans Het Nationale Ballet (Amsterdam) en Nederlands Dans Theater (Den Haag) en, zo zal later blijken, Introdans (Arnhem) en Scapino Ballet Rotterdam. Er is nog maar plek voor één, multidisciplinair festival (Holland Festival) en de middelgrote en kleine gezelschappen moeten bij het Fonds Podiumkunsten aankloppen, dat dus meer aanvragers krijgt maar ook minder budget. Talentontwikkeling ten slotte wordt een taak van de grote gezelschappen, de productiehuizen veegt Zijlstra met een pennenstreek van tafel.

De besluiten hebben geleid tot meer, soms uiterst creatieve inhoudelijke en zakelijke samenwerkingsplannen tussen culturele instellingen. Ook blijken sommige gemeenten bereid om de hardste klappen op te vangen. Zo krijgen de dansfestivals Julidans (Amsterdam), Nederlandse Dansdagen (Maastricht), Spring (een fusie van Springdance en Festival a/d Werf in Utrecht) en de Haagse festivals CaDance en Holland Dance nog steeds lokaal geld om hun programma’s (gedeeltelijk) te kunnen blijven realiseren. Dit zijn positieve ontwikkelingen, maar ze nemen de zorg en verontwaardiging niet weg. De stelselwijziging is zo rap ingezet dat veel groepen, makers en instellingen alternatieve financiering niet op tijd geregeld krijgen – als ze daarop al kans hebben, want een sponsor afficheert zich doorgaans makkelijker met een prestigieus gezelschap dan met een kleine of middelgrote instelling die een bescheiden publiek bedient. Bovendien heeft Zijlstra de kunst- en cultuursector fikse imagoschade berokkend door het belang ervan nooit vurig te verdedigen en zo de publieke opinie gunstig te stemmen. Hij heeft Geert Wilders zijn gang laten gaan met zijn tendentieuze geblaas dat kunst ‘een linkse hobby’ en kunstenaars ‘subsidieslurpers’ zouden zijn.

Dit moest eerst verteld. Het is de achtergrond waartegen de dans de afgelopen twee jaar opereerde. Aan de start van seizoen 2012-2013 maakte het Fonds Podiumkunsten (FPK) bekend welke dansgezelschappen er op zijn vierjarige steun kunnen rekenen. Dat zijn er zeven: Club Guy and Roni (Groningen), Conny Janssen Danst (Rotterdam), ICKAmsterdam (met Emio Greco|PC), LeineRoebana (Amsterdam), nb van Nicole Beutler (Amsterdam), T.R.A.S.H. (Tilburg) en WArd/waRD van Ann Van den Broek (Den Haag/Antwerpen). Daarnaast heeft het fonds – tegen het rijksbeleid in – ruimte gemaakt voor de productiehuizen Korzo (Den Haag) en Het Veem Theater (Amsterdam), zoals ook de stad Amsterdam besloot een productiehuis voor dans te handhaven (Dansmakers). De jeugd- en jongerendans, een verhaal apart, komt er minder slecht af dan gevreesd: Danstheater Aya (Amsterdam), De Stilte (Breda), ISH (Amsterdam), Meekers (Rotterdam) en Project Sally (Maastricht) krijgen alle meerjarige subsidie van het FPK. Buiten de boot vielen, door negatief advies of ontoereikend budget, enkele langspelers uit de Nederlandse dansgeschiedenis: Dance Works Rotterdam, Dansgroep Amsterdam en het Internationaal Danstheater. Ook regionale voorzieningen als Danshuis Station Zuid, De Dansers en Noord Nederlandse Dans (NND) moeten zich gaan bezinnen op hun toekomst. Is er voldoende steun van de gemeente of provincie, kunnen er snel andere inkomstenbronnen worden aangeboord, is werken met projectsubsidies een optie? Dance Works Rotterdam, Dansgroep Amsterdam, Danshuis Station Zuid en Noord Nederlandse Dans hebben inmiddels besloten om in 2013 de handdoek in de ring te gooien.

Afscheid en weerzien
Er is veel afscheid genomen de afgelopen twee jaar. Op 19 januari 2012 overleed Rudi van Dantzig (78), choreograaf, schrijver en van 1971 tot 1991 artistiek leider van Het Nationale Ballet. Het klinkt cynisch, maar voor even was dans groot nieuws in Nederland. Meer misschien nog om zijn expressieve en dramatische oeuvre – met hoogtepunten als Monument voor een gestorven jongen en Vier letzte lieder – gaat Van Dantzig de geschiedenis in als de man die Het Nationale Ballet internationaal op de kaart zette. Samen met Hans van Manen en Toer van Schayk, de twee andere huischoreografen, bouwde hij een gedurfd modern balletrepertoire op, naast de pijlers romantisch-klassiek en neoklassiek. Zijn overlijden heeft veel emoties opgeroepen. Het is gevoeld ook als de afsluiting van een pioniersperiode, van een tijd waarin vooruitgang en avontuur de agenda leken te bepalen. Dezelfde weemoed betrof de dood van een andere veteraan, een paar dagen later, op 22 januari. Het speelse, kleurrijke en multidisciplinaire werk van danser en choreograaf Ton Lutgerink (65) was baanbrekend in het eigentijdse theater en de eigentijdse dans van de jaren tachtig. Lutgerink was één van de artistiek leiders van Onafhankelijk Toneel in Rotterdam. Hij maakte dans-, toneel-, en operavoorstellingen, evenals diverse opmerkelijke dansfilms. Voor zijn oeuvre had hij onlangs nog, in oktober 2011, een Gouden Zwaan van de Vereniging van Schouwburgen en Concertgebouwdirecties ontvangen.

Niet definitief, maar toch wel een tikkeltje dramatisch, was het afscheid van choreograaf Itzik Galili. Sinds begin 2009 vormde hij samen met Krisztina de Châtel de artistieke kern van de nieuw opgerichte Dansgroep Amsterdam, het vervolg min of meer op de roemruchte Dansgroep Krisztina de Châtel. Twee kapiteins, twee stevige ego’s, twee temperamentvolle karakters: dat was vragen om problemen. Met kerst 2010 kwam de leiderschapscrisis tot een uitbarsting, toen het bestuur Galili voorstelde zijn functie als medeartistiek leider neer te leggen maar wel aan te blijven als huischoreograaf. Galili weigerde. Er werd een algemeen directeur benoemd: choreograaf Beppie Blankert, een oudgediende uit de dans. De Châtel werd onderdeel van een artistieke raad. Gezelschap of niet, zij is overigens van plan gewoon door te gaan. Haar nieuwe stichting Châtel sur place wil locatieprojecten uitbrengen en haar stichting Imperium beheert haar cultureel erfgoed en ondersteunt jonge, eigenzinnige dansers en dansmakers.

Geheel uit eigen vrije wil en met een mooie nieuwe uitdaging voor de boeg trokken twee ondernemende vrouwen de wijde wereld in: Andrea Boll (Bollwerk) is sinds 1 mei 2011 de nieuwe artistiek leider van Tanzhaus Zürich in Zwitserland en Anouk van Dijk (anoukvandijk dc) is vanaf 2012 thuis in Australië, bij Chunky Move in Melbourne. Ook het vertrek van Maurits van Geel bij het Internationaal Danstheater in december 2010 – na 22 jaar! – was gepland, maar kwam op een ongelukkig moment. Het Internationaal Danstheater, uniek in Nederland om zijn folkloristisch geïnspireerde repertoire, verkeerde financieel al een tijd lang in zwaar weer en had net moeten besluiten het ensemble te ontslaan en een doorstart te maken als projectgroep. Geen makkelijke entree voor de nieuwe artistiek leider Jan Linkens, een man uit de wereld van het ballet. Bovendien wil hij een complexe koerswijziging doorvoeren en ‘moderne vormen van en voor folklore’ vinden. In Puur-Barbaars, de productie ter ere van het 50-jarig bestaan in december 2011, resulteerde dat in een oppervlakkig aftreksel van die folklore.

Tegenover al dit weggaan stond het opmerkelijke weerzien met twee iconen uit de Nederlandse dans, beiden in april 2012 – alsof het in de lucht hing. Truus Bronkhorst (60) danst in Seule fragmenten uit oud werk en een nieuwe solo, Jeanne, maar plaatst daartegenover ook een groepswerk voor jonge dansstudentes uit Tilburg. De oude rot in het vak geeft haar emotionaliteit, haar woede, haar rauwheid door aan een nieuwe generatie. Een mooi gebaar en bovendien een contrast dat een goede theatrale spanning creëert. Ellen Edinoff (67) danste na optredens in een afgeladen Carré dertig jaar lang slechts in haar woonkamer. Zij en haar man Koert Stuyf maakten in de jaren zestig en begin jaren zeventig furore in Amsterdam met voor Nederland ongekende ‘happenings’. De verhalen over Edinoffs ‘fluïdum’ en ‘magie’ hebben later mythische proporties aangenomen. De eenmalige opvoering in de Melkweg van Intaglio, in het kader van een Philip Glass-weekend en mede mogelijk gemaakt door galeriehouder Rob Malasch, liet zien waarom: haar presence is onverwoestbaar en geeft haar zeer ingetogen en afgewogen manier van bewegen in een wijd oosters gewaad een enorme kracht.

Reuzen in beweging
Voor Het Nationale Ballet en Nederlands Dans Theater waren het twee hectische seizoen. Ze bewegen al zoveel en met zo velen en toch lijkt het alsof de twee reuzen uit het Nederlandse dansbestel een sprintje hebben getrokken. Met Het Nationale Ballet als koploper. In seizoen 2011-2012 bestond dit gezelschap 50 jaar en dat werd gevierd met een gala, het programma Goud (met stukken van de drie ‘Vans’) en maar liefst negen wereldpremières verdeeld over Present/s 1 en Present/s 2. Opvallend daarin waren de humoristische maar ook poëtische bijdrage van Paul Lightfoot en Sol León van ‘concurrent’ het Nederlands Dans Theater, en de uitnodiging aan Ton Simons, de voormalige artistiek leider van het moderne Dance Works Rotterdam. Zijn spitzenballet met vreemde twists haalde de dansers op een plezierige manier uit hun comfortzone, zoals een jaar eerder ook Sidi Larbi Cherkaoui had gedaan. De Vlaams-Marokkaanse Cherkaoui, boegbeeld van de internationale hedendaagse dans, maakte ter gelegenheid van het Holland Festival bij Het Nationale Ballet zijn eerste stuk voor een Nederlands gezelschap. Het wonderlijke, mythische Labyrinth vergde veel van de expressiviteit van de dansers.

Het Nationale Ballet danst als enige in Nederland het romantisch-klassieke repertoire en ook dat kwam dus uitbundig aan bod in het jubileumseizoen, met hernemingen van Het Zwanenmeer, Notenkraker en Muizenkoning en Giselle. Dat de groep de klassieke ballettaal levend wil houden, bewees de opvallend veelvuldige aanwezigheid van de wereldberoemde Alexei Ratmansky. Met Don Quichot (2010), On the Dnieper (2011) en Souvenir d’un lieu cher (2012) nut hij de klassieke mores virtuoos en dramatisch uit, hoewel zijn interpretaties nu en dan wel wat minder belegen mogen zijn.

Uit het leven gegrepen was dat 2012 niet alleen het geplande Gala Hans van Manen 80 jaar mocht optekenen, maar ook de ongeplande Hommage aan Rudi van Dantzig. En dat tegelijkertijd jong choreografietalent aan de poorten rammelde. Danser Ernst Meisner, een jaar eerder al verantwoordelijk voor de eerste kleutervoorstelling bij het gezelschap, werd landelijk nieuws met Het Nationale Canta Ballet, een aanstekelijke productie voor canta-rijders en balletdansers die hij maakte op locatie in de Gashouder op het Amsterdamse Westergasfabriekterrein.

Nederlands Dans Theater maakte een complete wisseling van de wacht mee: aan het begin van seizoen 2011-2012 trad niet alleen een nieuwe zakelijk directeur aan (Robert van Leer), maar ook een nieuwe artistiek directeur: Paul Lightfoot, voormalig danser van het gezelschap en samen met Sol León tevens huischoreograaf. De lang verwachte kroonprins uit de tijd van Jirí Kyliáns regime is nu, na twee tussenpauzen, dan toch op de troon beland. Met alle hooggespannen verwachtingen van dien.

De afgelopen twee seizoenen heeft Nederlands Dans Theater reprises gebracht van William Forsythe, Jirí Kylián, Lightfoot León, Hans van Manen, Susan Marshall, Ohad Naharin en de eigen danser Medhi Walerski. Lightfoot León en Walerski kwamen bovendien met nieuw werk, evenals Aszure Barton, Gal Behar, Alejandro Cerrudo, Sharon Eyal, Alexander Ekman, Marco Goecke, Johan Inger, Fernando Hernando Magadan, Amanda Miller, Kenn Ossola, Ivan Perez, Crystal Pite en Lukas Timulak. Van deze laatste groep waren Ekman, Inger en Pite ‘associate choreographer’, een positie die Goecke na zeven jaar bij Scapino Ballet Rotterdam met ingang van seizoen 2013-2014 ook gaat bekleden.

Hoge ogen gooide Schmetterling (2010) van LightfootLeón, een stuk over liefde en dood, met in de hoofdrol Medhi Walerski, net terug van een jaar sabbatical om voor zijn zieke moeder te zorgen. Bijzonder ook was het programma Traces (2012), in het kader van het Holland Dance Festival. De twee wereldpremières daarin, van Goecke en Pite, werkten door hun enorme tegenstelling in elkaars voordeel. Beeldenmaker Goecke fascineerde in Garbo laughs wederom met zijn razendsnelle, propellerachtige rotaties van handen, onderarmen en schouderkoppen, dit keer tegen een wand van donkere wolkenluchten. Met ruisende papieren vleugels, of hijgend als honden, treden de dansers toe tot Goecke’s favoriete wereld van de natuur en de mythologie. Tegenover de gefragmenteerde, scherpe, control freak-wereld van Goecke stond de organische, zachte let it be-wereld van Pite. Solo echo is een speelse, energieke stroom van rennen, glijden, trekken, zwieren op twee sonates voor cello en piano van Johannes Brahms.

Het is voor zowel Het Nationale Ballet als Nederlands Dans Theater al jaren een uitdaging zo niet strijd om het repertoire van nieuwe impulsen te voorzien. Nieuwe choreografen van kaliber die een interessant stuk voor de grote zaal kunnen maken, liggen niet voor het oprapen of zijn drukbezette troetelkinderen die door iedereen worden gevraagd. Het kost bovendien tijd om iemand te scouten en te laten groeien. Lastig van de talentontwikkeling in eigen huis is het gevaar dat de nieuwe lichting te veel een kloon is van een Kylián of een Lightfoot León. Op het gebied van talentontwikkeling gaat Nederlands Dans Theater de komende jaren samenwerken met Korzo, het Haagse productiehuis en podium. Samen geven zij met ingang van 2013 vorm aan het programma Up & Coming Choreographers. De jonge choreograaf Joeri Dubbe, die met Chrono, een stuk over de technologisering van ons leven, de ontdekking van Cadance 2011 was, heeft de opdracht voor een nieuw werk al binnen.

Muzikale ontmoetingen
Dans en muziek zijn van oudsher nauw verknoopt, maar het blijft een bijzondere aangelegenheid als er op de dansvloer een ontmoeting met musici is: doorgaans zorgt live muziek voor een alertere interactie tussen de dans en de muziek. Opvallend in de afgelopen jaren was dat groepen zich regelmatig met live muziek profileerden. Dus naast Het Nationale Ballet dat vast samenwerkt met Holland Symfonia en naast het Internationaal Danstheater dat zijn voorstellingen altijd heeft laten begeleiden door een klein, sprankelend ensemble. De muzikale ontmoetingen in de hedendaagse dans gaan een stuk verder dan bij deze gezelschappen.

Een greep uit het aanbod ter illustratie. Componist Anne Parlevliet en zangeres Nynke Laverman verbonden zich aan Tidal (2010) van Noord Nederlandse Dans. Gitarist Anne Soldaat stond in de jubileumproductie Zout (2011) van Conny Janssen Danst – 20 werd de groep – naast zeven dansers en speelde composities van hemzelf en Michel Banabila. Met haar kunsten en charme als zangeres, performer en halve circusartieste bleek de populaire Ellen ten Damme de perfecte schakel in Twools 13 (2011), Scapino’s jaarlijkse uitstalkast van korte choreografieën. Maar ook Combattimento Consort Amsterdam zorgde bij Scapino voor een hit: de weelderig aangeklede en gedanste ‘baroksensatie’ Pearl (2012). Hiervoor liet choreograaf Ed Wubbe, die muziek altijd een prominente rol toebedeelt, zich inspireren door de etiquette en het decorum aan de Italiaanse en Franse hoven van weleer en gebruikte hij vooral composities van Vivaldi, eveneens een vrij populaire keuze.

De groep die de relatie muziek en dans misschien wel het meest intensief en inventief onderzoekt, is LeineRoebana. In Gap (2011), een stuk over het overbruggen van verschillen, reiken dansers en musici elkaar de hand en versmelten de verschillende temperamenten van de internationaal befaamde operazangeres Claron McFadden, die zich hier van haar jazzy kant laat zien, en de Bulgaarse folkzangeres Galina Durmushliyska. Culturen en begrippen als ‘traditie’ en ‘vernieuwing’ en ‘het ik’ en ‘de ander’ komen op een hellend vlak terecht. Daarbij vergeleken was de volgende productie van de groep, Next (2012), een teleurstelling. De dans bleef achter bij de meest prachtige chansons en songs van Jacques Brel tot Nina Hagen die Matthias Kadar uit zijn stem en gitaar klopte.

Absoluut hoogtepunt echter was Ghost Track (2011), een project dat een paar jaar onderzoek en uitwisseling in Indonesië en Nederland heeft gevergd voordat het podiumrijp was. Onder begeleiding van het moderne gamelanensemble Kyai Fatahillah troffen vijf Europees opgeleide dansers van LeineRoebana op de dansvloer drie Indonesische collega’s die de klassieke Javaanse danstradities een eigentijdse draai gaven. Hier cirkelde ruimtelijk en wijds om geworteld en sierlijk, hier ontstond werkelijk iets nieuws dat de clichés van Oost en West overstijgt.

In dialoog met tekst
Ook het samengaan van dans en tekst, eveneens geen nouveauté, heeft een flinke impuls gekregen in de seizoenen 2010-2011 en 2011-2012. En laat nou net choreograaf Anouk van Dijk, die inmiddels in het zonnige zuiden werkt, hierin een voortrekkersrol hebben gespeeld. Samen met de Duitse regisseur en toneelschrijver Falk Richter maakte ze in coproductie met eerst de Schaubühne Berlin en later het Düsseldorfer Schauspielhaus drie groots gemonteerde stukken waarin dans en tekst totaal gelijkwaardige communicatiesystemen zijn, of ze elkaar nu onderstrepen, aanvullen of tegenspreken, en waarin dansers ook acteren en acteurs ook dansen, moeiteloos. Trust (2009) ging in 2011 in Nederland in première, Protect me (2010) in 2012 en Rausch, dat afgelopen voorjaar in Duitsland te zien was, toert in november 2012 door ons land. Geïnspireerd door de kredietcrisis ging het in alle drie de werken over de teloorgang van systemen en concepten. Blind vertrouwen, echte liefde en de ideale relatie moesten het ontgelden, maar ook de schijnveiligheid van economie en politiek. De producties waren niet alleen om hun ‘tweetaligheid’ een verademing – eindelijk is de combinatie van beweging en tekst vanzelfsprekend, het experiment voorbij – maar ook door hun stevige engagement.

Er waren nog een paar andere dansvoorstellingen in dialoog met tekst die het herinneren waard zijn. Zo nam de jonge choreograaf Jochen Stechman dansrecensies als uitgangspunt voor zijn onderzoeksproject The critical piece (2010) en schitterde danser Medhi Walerski als acteur in Skipping over damaged area van Paul Lightfoot en Sol León (2011). Zijn stevige monoloog – een grillige spraakwaterval van een oude man – stond gewoon naast een stevig stuk dans. En ook dat werkte. In Miraculous Wednesday (2011) van Club Guy and Roni en Tanzcompagnie Oldenburg (ook weer lekker groots uitgepakt) haalden de tekstpassages de vitaliteit en brutaliteit van de dans juist vaak onderuit en in ListEN & See (LIES) (2011) van Ann Van den Broek in samenwerking met regisseur Marcus Azzini van Toneelgroep Oostpool was de tekst eigenlijk franje; zowel dansers als acteurs overtuigden vooral in de fysieke uitputtingsslag die ze leverden onder een loodzwaar lichtplateau dat langzaam tot op hun schouders zakte.

Klasse apart
WArd/waRD, nbprojects en ICKAmsterdam zijn de meest uitdagende dansgezelschappen in het middelgrote- en kleine segment geweest. Ze zijn niet alleen telkens op zoek naar verdieping van hun choreografische stijl, ze willen ook echt iets beweren met hun voorstellingen. Een inhoudelijk statement maken, uitnodigen tot reflectie, de tijdgeest vatten. Daarbij geldt dat ze door hun meerlagigheid over het algemeen goed communiceren met een divers publiek.

Choreograaf Ann Van den Broek (Ward/waRD) vangt een expressieve inhoud in een strak gechoreografeerde structuur. In zijn herhaling en minimalisme toont die structuur verwantschap met het werk van Krisztina de Châtel, bij wie Van den Broek lang danste. Bij Van den Broek is de vorm echter altijd een middel om tot een emotionele climax te komen. Bovendien is haar idioom meer gebaseerd op alledaagse, herkenbare bewegingscitaten als aan- en uitkleden, een hand op een bil, in een kruis of om een keel. Na stukken met alleen vrouwen en alleen mannen was er de laatste jaren plaats voor confrontatie tussen de seksen. In Q61, de openingsvoorstelling van CaDance 2011 in het nieuwe gebouw van Korzo, doolden die rond in een cleane witte ruimte met nissen zonder werkelijk contact te maken, eeuwig op zoek naar vervulling. In Domestica (2012), dat Van den Broek samen met De Châtel maakte bij Dansgroep Amsterdam, kreeg het begrip ‘(t)huis’ naarmate de voorstelling vordert een steeds agressievere invulling.

Kenmerkend voor choreograaf Nicole Beutler (nbprojects) is haar onderzoeksmatige instelling en haar nieuwsgierigheid naar andere kunstdisciplines en historische dansfenomenen. Na een hoog productietempo zijn er in de seizoenen 2010-2011 en 2011-2012 ‘slechts’ twee voorstellingen uitgekomen. In The Garden (maart 2011) keerde ze de begrippen natuur en cultuur en daarmee samenhangende zaken als vorm en energie, orde en chaos binnenstebuiten. In Piece (november 2011) vormen veertien jongeren één stem, één koor, dat zijn idealisme niet onder stoelen of banken stak en steeds luider riep en uitzinniger danste om liefde en schoonheid, nuance en vergiffenis.

ICKAmsterdam ten slotte, het platform voor hedendaagse dans van Emio Greco en Pieter C. Scholten, is in volle vaart afgestevend op de positie van stadsgezelschap dans van Amsterdam. De eigen voorstellingen, uitgebracht onder de noemer Emio Greco|PC, vielen de afgelopen jaren herhaaldelijk in de prijzen. De combinatie van grootse, aansprekende thema’s en een unieke bewegingsstijl (waarin Greco’s poëtische fysicaliteit nog altijd sterk resoneert) werkt goed. In Rocco (dat in 2011 in première ging en in 2012 de Zwaan voor de Beste Dansproductie won) stonden de dansers met beide voeten op de grond, in de boksring. In een mix van ballet, boksen en performance gingen twee broers een verhitte strijd om intimiteit aan. Het is prachtig subtiel hoe drift en swing hier samengingen, hoe het bittere gevecht op een sierlijke flamenco leek en een greep een omhelzing werd. In 2012 volgde het spektakel La Commedia, een circusachtige show met de hoogtepunten uit de Dante-cyclus over hel (2006), purgatorium (2008) en hemel (2010). Het seizoen werd afgesloten met de Holland Festivalproductie Addio alla fine (2012), afscheid van het einde. Geïnspireerd op de film E la nave va van Federico Fellini voer het publiek met een boot naar een loods aan het IJ, zogenaamd een nieuw begin tegemoet. Dit nieuwe begin moet je zelf samenstellen uit de diverse (vage) performances aan boord en de (prachtige) choreografie op een soort catwalk in de loods. Niet honderd procent geslaagd dit idealistische avontuur, maar wel sterk in zijn grondtoon.

Internationale inspiratie
De Nederlandse danswereld is sterk internationaal geïnspireerd. Nederlandse dansers, choreografen en gezelschappen studeren, produceren of toeren in het buitenland en vice versa. De doorstroom en doorgroei in het Nederlandse dansestablishment is echter verre van optimaal. Al lange tijd zijn het veel dezelfde namen die de agenda bepalen; de enige ‘nieuwkomer’ bij het Fonds, die nu voor het eerst meerjarige subsidie krijgt, is het jeugddansgezelschap Project Sally. Is er te weinig talent? Is er te weinig aandacht of plek voor talent? Is er te veel aandacht voor talent, waardoor versnippering en nivellering optreden? Of hoeft de jonge choreograaf van nu niet zo nodig per se een eigen gezelschap rond zijn of haar persoon en is men tevreden met de exposure en uitwisseling via de internationale productiehuizen en festivals? Ongeacht het antwoord: de Nederlandse dansprofessional en het Nederlands danspubliek mogen blij zijn dat er – tot op heden althans – zo veel dansfestivals zijn die de ontwikkelingen van over de grens zichtbaar maken. Zonder deze internationale inspiratie zou het dansklimaat beduidend minder spannend zijn.

Zo opende het tweejaarlijkse Holland Dance Festival – met zijn focus op de fysieke, virtuoze kant van de dans – in 2012 toch maar mooi met de Franse wereldster Sylvie Guillem, voor wie zowel Mats Ek als William Forsythe nieuw werk maakte. Het meer conceptuele Springdance, dat onder leiding van Bettina Masuch de afgelopen jaren steeds ‘dansantere’ keuzes heeft gemaakt, liet ons in 2011 kennismaken met de verrassende pure danshypnose Sideways Rain van de Zwitsers-Braziliaanse Guilherme Botelho. En het Amsterdamse Julidans, dat grote namen en nieuwe makers uit de eigentijdse hoek altijd organisch weet te versmelten, ging achtereenvolgens van start met de volkomen onaangepaste Duitse choreograaf VA Wölfl (2011) en zijn Canadese collega Dave St. Pierre (2012). De eerste gebiologeerd door revolvers, de tweede door naakte mensen.
De danscomponent van het Holland Festival was sterk de afgelopen twee zomers. Internationale helden als Sacha Waltz, Jérôme Bel, Alain Platel en Boris Charmatz passeerden de revue (Charmatz’ Enfant, met volwassenen en kinderen, staat voor altijd op het netvlies gegrift) maar ook – en dat maakt zo’n festival echt spannend – minder bekende avonturiers als de Samoaanse Ponifasio (die zich keert tegen de vervuiling in de Stille Zuidzee), de Kongelese Faustin Lineyekula (die het westerse, ‘negerkubistische’ ballet La creation du monde uit 1932 becommentarieert) en de jonge Algerijns hiphoppers van Compagnie La Baraka die de Boléro dansten.

Naast deze grote festivals zijn er nog een paar kleine festivals die als krenten in de pap fungeren, zoals Dancing on the Edge voor moderne dans uit het Midden-Oosten en Something Raw voor aan dans gerelateerde performancekunst. Ook zijn er enkele theaters die in hun programmering opvallend veel werk maken van internationale dans: de Stadsschouwburg in Amsterdam (Het Muziektheater heeft zijn internationale uitstraling verloren), het Lucent Danstheater in Den Haag (geprogrammeerd door Holland Dance) en de Schouwburg in Groningen. Misschien wel het meest ambitieus is Chassé Theater in Breda. Dat presenteerde zich de laatste jaren steeds prominenter, onder andere met expertmeetings en een magazine over enkel zijn internationale aanbod.

Een ander opvallend gebeuren dat onder internationale inspiratie mag worden geschaard, is de liefde die is opgebloeid tussen Introdans en Lucinda Childs. In de artistieke koers van Roel Voorintholt vormen de ‘oude meesters’ een belangrijke poot. Op het repertoire staan inmiddels talloze stukken van Jirí Kylián, Hans van Manen, Nils Chirste, en nu dus ook Childs, een van de oprichters van de postmoderne Judson Theatre Group in New York. In de jaren zeventig brak zij door met haar minimalistische choreografieën. Bij Introdans, dat in seizoen 2011-2012 zijn veertigjarige bestaan vierde, heeft zij inmiddels vier balletten ingestudeerd, waaronder in 2010 het eerste deel uit Dance (een werk uit 1979 op muziek van Glass, met filmbeelden van Sol LeWitt) en in 2011 het imposante Psalmensymfonie, op de gelijknamige koorzang van Stravinsky.

Toekomst
En nu? Wat te zeggen over de toekomst? Don’t look back? Het kunstmanagement moeten zijn financiële en marketingstrategieën herzien, die boodschap is overgekomen en moet opvolging krijgen. Dansers en choreografen rest echter niets anders dan, als altijd, het beste uit zichzelf te halen. Jaag de politici en (andere) kunstsceptici weer van het podium af, zou ik zeggen.

Twee opvallende voorstellingen uit de afgelopen periode symboliseren de extremen waartussen de dans zich hopelijk zal blijven bewegen. Het collectief White Horse maakte in 2010 bij Dansgroep Amsterdam het mooi dubbelzinnige Trip en masse. Een groep mensen balde zijn vuisten, gooide zijn armen de lucht in, rende naar voren, de mond wijd open. En dit keer op keer, onder luid gejuich en gejoel op band, tot kwijl langs tong en tanden sijpelde. Is het van vreugde of van woede? Is deze hysterie een teken van overwinning of protest? Tegenover deze grofheid, deze dans in het maximale, stond een jaar later de subtiliteit van Slow dancing, dans in het minimale. In deze video-installatie van David Michalek, een coproductie met Holland Dance, werden de bewegingen van dansers in extreme slow motion vertoond op drie schermen op een Haags plein. Een choreografie van vijf seconden duurde afgespeeld acht tot tien minuten. Het is onvoorstelbaar wat er met deze techniek zichtbaar werd. Waanzinnig hoe gecontroleerd dansers bewegen, hoe concentratie en ontspanning samengaan. Waanzinnig ook hoe veel bewegingen er in vijf seconden blijken te zitten. Twee seizoenen dans terugblikken? Dat is een hele kluif.
Amsterdam, oktober 2012

> Deel op Facebook > Deel op Twitter > Deel via e-mail