Notice: Undefined index: search-by in /home/ncpa/domains/ncpa.eu/public_html/wp-content/themes/ncpa/sidebar-knowledgebase.php on line 14

Notice: Undefined index: keywords in /home/ncpa/domains/ncpa.eu/public_html/wp-content/themes/ncpa/sidebar-knowledgebase.php on line 19

Notice: Undefined index: kb_author in /home/ncpa/domains/ncpa.eu/public_html/wp-content/themes/ncpa/sidebar-knowledgebase.php on line 24

Notice: Undefined index: language in /home/ncpa/domains/ncpa.eu/public_html/wp-content/themes/ncpa/sidebar-knowledgebase.php on line 29
Author: Liesbeth Wildschut
First publication: 01/01/2008
Language: Dutch
Originally published in: Danswetenschap in Nederland - Deel 5
Made available by: Vereniging voor Dansonderzoek
Themes: Research and Application
Media: article

In de eerste uitgave van Danswetenschap in Nederland (2000) stelde Mirjam van der Linden: ‘Pas bij een bloeiende danswetenschap kan een discours van betekenis ontstaan.’ (p. 13) Destijds was er geen sprake van dat de Nederlandse danswetenschap bloeiende was. Van der Linden adviseerde dan ook kunstmest, in de vorm van het stellen van prioriteiten, om het groeiproces te versnellen. Nu de vijfde editie van Danswetenschap in Nederland een feit is, is het een goed moment om stil te staan bij de ontwikkelingen die inmiddels plaatsgevonden hebben en vast te stellen waar we zijn aangeland.

In de publicatiereeks (die de opvolger is van het Bulletin van de Vereniging voor Dansonderzoek) is uiteenlopend onderzoek vanaf eind jaren negentig vanuit verschillende disciplines samengebracht en daarmee zichtbaar en toegankelijk gemaakt. De serie publicaties biedt elke twee jaar een stand van zaken en gezamenlijk vormt dit een archief van aan dans gerelateerd onderzoek. Alhoewel het overzicht dat de serie laat zien niet volledig is,1 biedt de indeling in rubrieken die in de bundels wordt gehanteerd, een adequate instap om hier enkele ontwikkelingen te bespreken.

Vijfmaal Danswetenschap in Nederland
Elke bundel bevat een aantal artikelen die recent uitgevoerd onderzoek beschrijven. Vanaf de eerste bundel valt de diversiteit van onderwerpen op. Ook de onderwerpen van doctoraal- en later master-scripties weerspiegelen die verscheidenheid. Een opvallende ontwikkeling is dat vanaf Deel 4 (2006) artikelen verschijnen, geschreven door afgestudeerden aan dansvakopleidingen: Dance Unlimited (Amsterdam, Arnhem en Rotterdam) en de Master Choreography (Tilburg). Deze zogenoemde ‘professional master’ studenten voerden ‘practice-based research’ uit en deden daarvan verslag. Momenteel worden drie afzonderlijke masterprogramma’s aangeboden: ‘MA Choreography’ (Tilburg), Dance Unlimted (Arnhem) en Master of Choreography (Amsterdam), waarbij de nadruk ligt op zowel practische als theoretische benaderingen van het creatieve maakproces en het artistieke produkt, en de context waarbinnen dit functioneert.

Al in haar artikel in de eerste bundel schreef Van der Linden (2000b)dat het niet-universitaire veld zich begint te roeren. Er begon zich een openheid te ontwikkelen ten aanzien van dansonderzoek. Van een verregaande en geïnstitutionaliseerde samenwerking en wisselwerking tusen theorie en praktijk was echter geen sprake, stelt zij vast. Wel stelde de danspraktijk zich vragen, die men al dan niet met hulp van buitenaf poogde te beantwoorden. Prioriteit daarbij was het kunnen toepassen van deze kennis in de pratijk. Zo probeerde Margot Rijven, die coördinator gezondheidszorg is aan het dans departement van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (AHK), al enige tijd met het verzamelen en kenbaar maken van reeds uitgevoerde onderzoeken aandacht te vragen voor veranderingen die gericht zijn op verbetering van trainingsmethodes en op blessurepreventie. Momenteel is zij nauw betrokken bij de ontwikkeling van een digitaal reflectie instrument voor dansers, de Healthy Dancers Diary. Doel hiervan is dansers bewust te maken van het vinden van een balans tussen belasting en belastbaarheid.

Op het gebied van dansersgezondheid doet ook bewegingswetenschapper Jacques van Rossum (functie) al jarenlang onderzoek. Onderzoeksresultaten van diverse studies zijn te vinden in alle tot op heden verschenen bundels.

Bij de dansvakopleidingen zien we de belangstelling voor wetenschappelijk onderzoek de laatste jaren toenemen. Er worden symposia georganiseerd, waarbij wetenschappers worden uitgenodigd om onderzoeksresultaten te presenteren en te prikkelen tot discussie.

Een belangrijke ontwikkeling op de hogescholen is de instelling van lectoraten. Via deze lectoraten poogt men deze opleidingen een eigen identiteit als onderzoeksinstellingen te geven. In 2004 stelde Codarts het lectoraat ‘Excellence and wel being in the performing arts’ in, het eerste in Nederland op het gebied van de dans. Gedurende vier jaar werkte Anna Aalten (antropoloog) met onderzoeksvragen die direct uit de praktijk kwamen, zoals onderzoek naar afwisseling van inpanning en rust, de relatie tussen blessures en stress, eetgewoontes en het integreren van conditietraining in technieklessen, waarvan zij tussentijds verslag deed in Danswetenschap in Nederland, deel 4. Ter afronding van het lectoraat organiseerde zij de Internationale Conferentie The message of pain. What the body tells us and why we (do not) listen. Een overzicht van rapporten en publicaties die uit dit lectoraat zijn voortgekomen, zijn te vinden op de website van Codarts.

De verschillende lectoraten aan de AHK bieden eveneens perspectieven voor dansonderzoek. Het lectoraat ‘Kunstpraktijk en artistieke ontwikkeling’, onder leiding van Marijke Hoogenboom, richt zich zowel op het artistieke maakproces in een inter- en mutidisciplinaire context, maar ook op actuele artistieke ontwikkelingen, mogelijkheden en uitdagingen in de afzonderlijke kunstdisciplines. De focus ligt op de fase die voorafgaat aan de realisering van een project en is gebaseerd op de expertise, onderzoeksvragen en methodes van kunstenaars. Belangrijk onderdeel van het lectoraat is het Artist in Residence Programma. Uitgenodigd werden onder andere Emio Greco|PC (2004-2005). Zij pleiten sterk voor theoretische inbedding en een wetenschappelijk kader voor dans. In samenwerking met het lectoraat ‘Kunsttheorie en Onderzoek’, geleid door Henk Borgdorff, is de onderzoeksgroep ‘Artistic Research, Theory and Innovation’ (ARTI) in het leven geroepen.

Vanuit de lectoraten wordt ook promotieonderzoek gefinancierd. Zo werkt Jeroen Fabius met financiële ondersteuning van het bovengenoemde lectoraat ‘Kunsttheorie en Onderzoek’ aan Het Materiële Politieke Lichaam (Universiteit Utrecht) en Thérèse Boshoven met ondersteuning vanuit het lectoraat ‘Kunst & Reflectie’ (ArtEZ) aan De Danscultuur in de Oostelijke Nederlanden (Radboud Universiteit Nijmegen). Ook de Fontys Hogeschool trachtte een promovendus te werven om een proefschrift te schrijven met choreografie en ruimte als onderwerp. Deze promotieplaats werd echter (nog) niet ingevuld.

Ook verschillende universiteiten bieden momenteel onderdak aan promovendi die dans als onderwerp hebben voor hun proefschrift. Aan de Rijks Universiteit Groningen werkt Lieselotte Volckaert aan Danza fra Rinascimento e Barocco: diffusione e ricezione dello stile italiano in Europa, aan de Universiteit van Amsterdam verdiept Zeynep Gunduz zich in Interactive Dance: The merger of media technologies and the dancing body, en aan de Universiteit Utrecht is Konstantina Georgelou begonnen aan haar onderzoek Disturbing territories of reading – the operation of the formless in performing arts (werktitel). Op 20 juni 2008 verdedigde Äli Leijen haar proefschrift The Reflective Dancer. ICT Support for Practical Training aan diezelfde universiteit.

In de rubriek ‘Proefschrift in wording’ van Danswetenschap in Nederland doen promovendi verslag van een deel van hun onderzoek en kan de lezer deelgenoot worden van het ontstaan en de ontwikkeling van het proefschrift. Zo schreef ik zelf in de eerste drie publicaties over mijn onderzoek naar de beleving van theaterdansvoorstellingen door kinderen, waarop ik in 2003 promoveerde. Verder terug in de tijd, in 1997, promoveerde historicus Frits Naerebout (functie), jarenlang voorzitter van de Vereniging voor Dansonderzoek, in Leiden op zijn proefschrift Attractive Performances. Ancient Greek Dance: three preliminary studies, een onderwerp dat hem nog steeds bezighoudt. Als lid van de European Association of Dance Historians organiseerde hij onlangs een meerdaags internationaal congres over dans in de oudheid, waar vijftien papers gepresenteerd werden. Maaike Bleeker tenslotte, promoveerde in 2002 op The Locus of Looking: Dissecting Visuality in the Theatre, een proefschrift waarin het lichaam centraal staat.

Bovenstaand overzicht toont aan dat het dansonderzoek in Nederland steeds meer body begint te krijgen. Dat brengt ons bij de vraag:

Is de danswetenschap geïnstitutionaliseerd?

Tijdens de door de Vereniging voor Dansonderzoek in 1994 georganiseerde studiedag ‘Wat is Danswetenschap’, waarvan in het Bulletin een verslag is te lezen (Van der Linden, 1994) werd met afgunst en bewondering gekeken naar de wijze waarop ‘Dance Studies’ aan de University of Surrey georganiseerd was. Deze opleiding werd als inspirerend voorbeeld gezien. Henri Schoenmakers, op dat moment hoogleraar Theaterwetenschap in Utrecht, wees erop dat aan zijn instituut de dans in brede zin onderzocht kon worden, maar dat we niet van de werkelijkheid moesten wegdromen: met de beschikbare halve formatieplaats voor dans in Utrecht kon geen specialistisch programma worden opgebouwd. Bovendien vroeg hij zich af of het haalbaar is de strikte scheiding tussen hbo en universitair onderwijs te overbruggen.

Deze formatieplaats betekende echter wel een continue danswetenschappelijke onderwijstraditie. Een spannend moment ontstond toen er wisseling van de wacht ging plaatsvinden en de leerstoel Theaterwetenschap door een nieuwe hoogleraar ingevuld ging worden. Immers, zo stelde Schoenmakers over de invloed van een hoogleraar: ‘Als ik zou besluiten dans uit het pakket te gooien, is dat mijn zaak.’ (Van der Linden, 2000a). Met de komst van Maaike Bleeker is het dansonderwijs en het dansonderzoek aan de Universiteit Utrecht veiliggesteld. De halve formatieplaats voor een docent/onderzoeker was al in 2003 een volledige geworden. Op zeer korte
termijn zal een tweede volledige formatieplaats worden ingevuld door een gepromoveerd docent/onderzoeker. Naast een kwantitative uitbreiding van onderwijs en onderzoek is een grote stap vooruit gemaakt in de zichtbaarbaarheid van de dans. Zelf heb ik jarenlang moeten benadrukken dat dans in cursustitels vermeld moet zijn en niet alleen naar voren moet komen in de beschrijving van de cursus. Het wijzigen van de titel van de master Theaterwetenschap (Theatre Studies) heeft teveel voeten in de aarde en is misschien ook niet wenselijk, aangezien in Utrecht juist aandacht geschonken wordt aan de huidige vervaging van disciplinegrenzen. Wel maakt de ondertitel van deze master de verschuiving zichtbaar: Contemporary Theatre and Dance Studies. Studenten die deze master volgen, kiezen óf een theatertraject (Theatre Research in Practice, i.s.m. de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht) óf een danstraject (Writing Dancing, waar het contact met de danspraktijk nadrukkelijk wordt opgezocht). Met ingang van september 2008 is deze master engelstalig. Enerzijds vanwege een nadrukkelijke werving in het buitenland die nu gestart is, anderzijds om de instroom voor hbo-studenten aantrekkelijker te maken (na het volgen van een premaster).

Het grote duet
In Danswetenschap in Nederland, deel 3 (2004) besprak Mirjam van der Linden in haar artikel Theorie en pratijk, klaar voor het grote duet? Een aantal projecten waauit bleek dat de afstand tussen theorie en praktijk, wetenschap en kunst aan het verminderen was. Naar mijn mening is dit grote duet momenteel volop gaande. Ter illustratie: Hierboven kwam al naar voren hoe dansacademies de wetenschap naar zich toe weten te halen via workshops, lezingen, studiedagen, het uitzetten van onderzoek, het toepassen van onderzoeksresultaten in de danspraktijk en het financieren van promtieonderzoek. De Vereniging van Dansonderzoek organiseert studiemiddagen waar theorie en praktijk elkaar ontmoeten en waar discussies worden gevoerd. Zo vindt tegelijk met de presentatie van deze vijfde publicatie in de reeks, een studiemiddag plaats rond het thema Zelfreflectie in dansvakonderwijs. De computer als hulpmiddel, waarin ervaring opgedaan aan de opleidingen in Amsterdam en Arnhem en resultaten van het promotieonderzoek van Äli Leijen de discusie zullen aanzwengelen. Bij Theaterwetenschap aan de Univeriteit Utrecht worden momenteel enkele projecten opgestart die de komende jaren verder ontwikkeld en uitgebouwd gaan worden. Ik noem er drie:

Het onderwerp Dansdramaturgie is in het bovenstaande overzicht nog niet ter sprake gekomen, maar op dit terrein zijn diverse ontwikkelingen gaande, die te maken hebben met het zoeken naar wat dansdramaturgie inhoudt. BIT Dansdramaturgen Overleg Utrecht is een studiegroep van studenten en afgestudeerde dansdramaturgen, die zich specialiseren in dansdramaturgie en door studie, discussie en op de langere termijn openbare discussies en publicaties het vak van dansdramaturgie vanuit de praktijk aanscherpen. Een nieuwe onderwijsvorm, waar studenten al in het tweede en derde jaar van de BA Theater-, Film- en Televisiewetenschap kunnen instappen, is in samenwerking met het dansveld in voorbereiding en gaat in september 2009 van start. Tal van grote en kleine, lange en korte, ingewikkelde en eenvoudige vragen en opdrachten uit het veld bieden studenten gelegenheid om dansdramaturgische ervaringen op te doen, waardoor studenten hun theoretische kennis al vroeg in hun studie kunnen verbinden aan de wereld van de danspraktijk.

Bianca van Dillen en Bianca Nieuwboer zijn gestart met een grootschalig project rond de digitalisering van materiaal van en over Dansproduktie (film- en videomateriaal van voorstellingen en repetities, foto’s, recensies, programmaboekjes, aantekeningen, partituren enz.). Op deze manier wordt een uniek deel van de Nederlandse dansgeschiedenis ontsloten. Aan dit materiaal zullen allerlei onderzoeksvragen gesteld worden, waar studenten zowel in de bachelor (voorstellingsanalyse) als in de master (stage op het gebied van ontsluiting, onderzoek naar diverse verbanden) de komende jaren mee aan de slag zullen gaan.

Het Inside Movement Knowledge project van Emio Greco|PC, dat voortvloeit uit het Capturing Intention project, elders in deze bundel beschreven door Bertha Bermúdez, biedt eveneens interessante aanknopingspunten. De komende jaren wordt gewerkt vanuit vragen als ‘Kan de vluchtige aard van dans wel worden geconserveerd? Wat kunnen we vastleggen en hoe? Welke bronnen zouden we moeten gebruiken? Helpt het ons begrip van artistieke processen vooruit?’ (Newsletter sept – dec 2008) Dit zijn vragen in het kader van het zoeken naar nieuwe methodes voor de toekomstige analyse van de maakprocessen van dans. De verdere uitwerking van de Interactieve Installatie Double Skin/Double Mind en een eerste ingang in de ontwikkeling van methodes om de creatieve processen van Emio Greco|PC te documenteren staan centraal. Studenten die het ‘Writing Dancing’ traject volgen in de master ‘Contemporary Theatre and Dance Studies’ worden betrokken in dit interdisciplinaire onderzoeksproject, en kunnen vervolgens dieper op deze materie ingaan gedurende hun afstudeertraject.

Een bloeiende tuin
In het eerstverschenen Dansbulletin van de Vereniging voor Dansonderzoek (1992) sprak Frits Naerebout over een kasplantje. In Danswetenschap in Nederland, deel 1 gaf Mirjam van der Linden aan dat een beetje kunstmest geen kwaad zou kunnen. Uit het bovenstaande komt een duidelijk positieve ontwikkeling naar voren. De Danswetenschap in Nederland lijkt geworteld te zijn. Het kasplantje heeft zich uitgezaaid, er ontstaan nieuwe plantjes die aan het opgroeien zijn. Hier en daar komt zo’n plantje voorzichtig tot bloei. We moeten ze blijven koesteren, bemesten, water geven, kruisbestuivingen een handje helpen, zodat Nederland een bloeiende danstuin wordt, met uiteindelijk wellicht een hoogleraar Danswetenschap, die de tuin overziet en voortdurend nieuwe bedjes aanlegt.

Sources

  • Aalten, A. ‘Gezonde uitblinkers. Onderzoek en praktijk bij de Rotterdamse Dansacademie’ In M. van der Linden, L. Wildschut, J. Zeijlemaker (eds.), Danswetenschap in Nederland. Deel 4. Amsterdam: Vereniging voor Dansonderzoek, 2006, pp. 9-13
  • Linden, M. van der, ‘Verslag studiedag Dans en Wetenschap II’ In F. Naerebout, O. Stokvis en Y. Zellerer (eds.) Bulletin van de Vereniging voor Dansonderzoek 3e jaargang no 2, 1994, pp. 46-52.
  • Linden, M. van der, Eversmann, P. en Krans, A. (eds.), Danswetenschap in Nederland Deel 1. Amsterdam: Vereniging voor Dansonderzoek, 2000
  • Linden, M. van der ‘Danswetenschap in Nederland. Een beetje kunstmest kan geen kwaad’ In M. van der Linden, P. Eversmann en A. Krans (eds.), Danswetenschap in Nederland. Deel 1. Amsterdam: Vereniging voor Dansonderzoek, 2000, pp. 9-13. Eerder verschenen in TM, juni 1998
  • Linden, M. van der ‘Dansonderzoek in Nederland. Het niet-universitaire veld roert zich’ In M. van der Linden, P. Eversmann en A. Krans (eds.), Danswetenschap in Nederland. Deel 1. Amsterdam: Vereniging voor Dansonderzoek, 2000, pp. 14-18. Eerder verschenen in TM, mei 1999
  • Linden, M. van der, Eversmann, P. en Krans, A. (eds.), Danswetenschap in Nederland Deel 2. Amsterdam: Vereniging voor Dansonderzoek, 2002
  • Linden, M. van der, Wildschut, L. en Zeijlemaker, J. (eds.), Danswetenschap in Nederland Deel 3. Amsterdam: Vereniging voor Dansonderzoek, 2004
  • Linden, M. van der, Wildschut, L. en Zeijlemaker, J. (eds.), Danswetenschap in Nederland Deel 4. Amsterdam: Vereniging voor Dansonderzoek, 2006
  • Naerebout, F., Bulletin van de Vereniging voor Dansonderzoek 1e jaargang no 1, 1992
  • Newsletter EG|PC, sept – dec 2008
> Share on Facebook > Share on Twitter > Share via E-mail